donderdag 23 december 2010

Geef jij het Licht ook door?


Het is de dag voor kerst en dat kun je overal zien. Gezellige drukte in de winkelstraten, kerstliedjes op de radio en flikkerende lichtjes overal. Dat staat niet alleen erg leuk, het is ook nog eens erg gezellig. Overal waar je kijkt zie je lachende gezichten - alhoewel het weer niet helemaal meewerkt - en merk je dat de mensen elkaar helpen.

De weersverwachtingen zijn nog altijd sneeuw, vrieskou en ijzel dus kunnen we ons ook gaan opmaken op een witte kerst. Iets wat toch best apart is, ware het niet dat dit afgelopen kerst ook al het geval was.

Kerst is ook het aangewezen tijdstip om met mensen gezellig om de tafel te gaan zitten, uitgebreid te dineren en elkaar leuke verhalen te vertellen. Dingen die je het afgelopen jaar hebt meegemaakt, dingen die je dwarszitten… Een uitgelezen kans om het jaar mooi af te sluiten.
Vandaar ook dat kerstprogramma’s - ze schieten nu als paddenstoelen uit de grond - het goed doen. Mensen willen graag in deze tijd van het jaar dichter bij elkaar komen. En soms hebben ze daar even hulp bij nodig.

Deze kerst wil ik jullie ook iets vertellen. Iets wat ik een week geleden op school heb gedaan. Iets moois, wat nog mooiere acties tot het gevolg kan hebben. Iets wat een kettingreactie op gang kan brengen.
En dat wil ik ook met jullie delen. Misschien dat deze actie ook bij jullie tegenreacties oproept. Dat ook hier het balletje gaat rollen.

Lees maar.

Tijdens het kerstdiner op school haalde ik vier verschillende kaarsjes uit mijn tas. Ik stak de ene aan en zette het op mijn tafel terwijl ik uit Johannes 1 begon te lezen:

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.
Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. 10 Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. 11 Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen. 12 Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. 13 Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.
14 Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. 15 Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep: ‘Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik, want hij was er vóór mij!”’ 16 Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt. 17 De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. 18 Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.

De leerlingen keken me aan en ik begon te vertellen: ‘God is als dit lichtje hier,’ ik wees op het brandende kaarsje,’ Hij is als het Licht van de wereld, een stralende Morgenster. Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf ook God is, leert ons over Hem.’ (vers 18)
‘Jezus laat ons dus iets van het Licht van God zien. Jezus is dus ook,’ ik pakte een kaarsje en stak deze aan, ‘datzelfde licht. Twee dezelfde lichtjes, van dezelfde God. Het vuur wordt er niet anders van. Jij en ik kennen Jezus en Zijn Vader. We hebben uit de Bijbel gelezen en we hebben het de afgelopen weken steeds over Hem gehad, over Zijn geboorte.’
‘God zelf heeft anderen dit licht gegeven om het op te schrijven.’ Een derde kaars ging aan. ‘Dus dit lichtje is ook precies hetzelfde als Gods lichtje. Het licht van God en van Jezus is dus ook in de schrijvers van de Bijbel gevaren. Maar dat niet alleen, nee,’ ik stak ook de laatste kaars aan, ’wij ook! Wij ook hebben datzelfde licht gekregen. Wij lezen ook uit diezelfde Bijbel.’
‘We snappen misschien niet altijd alles, maar God zelf, en Jezus met Hem, wil ons verlichten met zijn Woord. Wij mogen dus ook een lichtje voor God zijn. Sterker nog: Dit lichtje,’ Ik wees op de vierde kaars,’ deze kaars zijn wij! Jij en ik!’
‘Zie je dat? Is het licht van deze vierde kaars anders dan het licht van de eerste kaars? Nee hè? Het is precies hetzelfde! Wij hebben datzelfde licht, hetzelfde geloof!’
Uit mijn tas haalde ik toen 24 waxinelichtjes. Eén voor iedere leerling. Allemaal mochten ze dat ene licht ook zijn. Allemaal stak ik de kaarsjes aan, één voor één. Iedereen kreeg een op de tafel te liggen.
‘Wij, allemaal, hebben het Licht van God en Jezus in en bij ons. Wij zijn bijzonder. Maar weten jullie ook wat lichtjes doen?’ Uit de klas kwam het goede antwoord. ‘Ze geven licht!’
‘Ja,’ zei ik, ‘ze geven inderdaad licht! En weet je: wij mogen ook lichtjes zijn. En dus ook licht geven voor anderen, net zoals Jezus heeft gedaan. Het licht doorgeven.’
Eén leerling kwam al met een goed idee. ‘Als we dit lichtje nu thuis aansteken, geven we het licht ook door! Aan onze ouders!’ Ik knikte goedkeurend. ‘En aan mijn opa en oma!’ zei een ander. Daarna was het hek van de dam. Ieder familielid kwam langs en ook aan hen werd het licht doorgegeven.

Aan het einde van de dag gaf ik iedereen nog eens twee waxinelichtjes. ‘Om het licht extra goed door te geven,’ zei ik.

 

Bij dezen geef ik jou ook twee digitale waxinelichtjes. Ook jij mag het licht doorgeven. En dus ook waar het licht voor staat. Gods Woord, de Bijbel.




Fijne kerstdagen!

woensdag 1 december 2010

Verveel je je?

Jij verveelt je dus? Nu niet meer. Streep deze lijst maar af!

°Wachten tot je een ons weegt en dan dikke mensen uitlachen
°Lieveheersbeestjes boosaardig maken.
°Een trui van spagetti breien.
°Jeu de boules spelen op een mijnenveld.
°Naar bouwvakkers fluiten.
°Alle nullen in het telefoonboek onderstrepen.
°Je goudvis verdrinken.
°Osama Bin Laden zoeken.
°Op miereneter jacht gaan.
°Paardenbloemen blowen.
°Poedersuiker snuiven.
°Een kunstwerk maken van de inhoud van je navel.
°Met je tenen wiebelen.
°Een nieuwe kleur mengen.
°Surfen op de plaatselijke vijver
°Je haar knippen met een kartelschaar.
°Ondersteboven leren lezen.
°Glimlachten tot je kaak verkrampt.
°Het Zimbabwaanse volklied leren zingen.
°Om je zelf heen rennen.
°Deze hele lijst lezen.
°Het uitmaken met iemand die je niet kent.
°Uit de maat dansen.
°Je okselhaar laten groeien en er dreadlocks inlaten zetten.
°Het wilhemus gorgelen.
°De elfstedentocht rijden op je slee.
°Zoveel mogelijk oliebollen tegelijk in je mond stoppen.
°Je kat leren blaffen.
°Snorkelen in je eigen bad.
°Zoveel spekjes eten tot je roze ziet.
°Japanners fotograveren
°Een winterslaap houden
°Je zelf een achterhoeks dialect aan leren
°Slim worden
°Je schor schreeuwen
°Beroemd worden.
°Je papagaai de toespraak van Martin Luther King leren.
°Je gebroken hart met ducktape plakken.
°Cake vlaggetjes in je oren stoppen.
°Een ei uitbroeden.
°Je kat achtervolgen
°Zonnebaden onder je bureaulamp

(dit als tussenweg: ik heb geen tijd om een blog te schrijven deze week)

woensdag 17 november 2010

De Regenboog (2) Geel

In mijn afgelopen blog ben ik begonnen een kleur te gebruiken. Onder de noemer ‘de regenboog’ kan dat ook. Allerlei passages uit mijn leven zullen de revue passeren.

Vandaag deel 2: ‘Geel’.

---

Als invaller ben ik veel op de weg. ’s Ochtends vroeg zit ik rond zevenen al in de auto om ’s middags tegen vieren weer terug te rijden. Daar heb ik echter geen enkel probleem mee, mocht je dat afvragen.
Ook vind ik het helemaal niet erg om een klas binnen te gaan, mezelf voor te stellen en de hele dag precies te doen wat er op een lijstje staat - wat de echte juf of meester geschreven heeft.
Natuurlijk is het tijdstip van vertrek een puntje van zorg, maar daar doe ik niets aan en kan ik niet veranderen. Datzelfde geldt ook voor het weer. Ruiten krabben, verwarmingen… allemaal zaken die nu eenmaal zo zijn. Dat neem ik voor lief.

Maar, er zijn zaken die wel veranderd kunnen worden. Zaken die ik niet zomaar voor lief hoef te nemen, waar ik me wel aan kan ergeren. En ik ben niet de enige, dat weet ik zeker.

Op het moment van schrijven ligt bijna heel Assen open. Er wordt gewerkt aan de weg. En iedereen die ik daarover spreek, van buiten Assen, die heeft geen flauw idee dat het zo is. En als ze hier moeten zijn, is het al te laat. Pech. 
Om mijn woonplaats in te komen heb je al een goede kennis nodig van de wegen, zeker omdat Tomtom ook nog eens je de verkeerde kant wijstwijst. Domme Tom…

Maar niet alleen in Assen is het allemaal zo mooi, ook er buiten is veel werk aan de winkel. ‘Volg borden voor …’ is het standaardadvies van de Rijkswaterstaat. De site ‘Van A naar Beter’, die RWS heeft opgezet enkele jaren geleden, loopt ook al lichtelijk achter. Of eigenlijk moet ik het anders zeggen. Ze zijn lichtelijk achterlijk. Alles ten zuiden van Zwolle staat enigszins aangegeven, terwijl alles erboven maar giswerk is. Misschien?

Als ik me ergens aan erger zijn het ongeplande werkzaamheden. Jeweetwel, van die werkzaamheden die spontaan op komen zetten. Dat wil ik dan ook wel doen. Gewoon ’s ochtends vroeg, als je wakker wordt, ergens een bord neerzetten zonder ook maar enig alternatief te bieden.
Zo staat er nu, dicht bij mijn huis, een stoplicht midden op straat. Een kleine vijftig meter verderop staat er nog één, die min of meer aan elkaar gelinkt zijn. Ik zeg min of meer, want ze hebben de neiging om tegelijkertijd op groen te staan. Of ze laten het gewoonweg aan één zijde afweten.
Sta je daar, wacht je netjes op groen en als het dan eenmaal zo ver is komen er auto’s tegemoet. Niet slim dus.

Daarom heb ik de kleur geel bij dezen gekoppeld aan wegwerkzaamheden. Geen zon, want die schijnt helaas te weinig dezer dagen. Ook geen trein, want ik rij toch met m’n auto. Ook geen kuikentjes meer, want die som heb ik nu al op drie verschillende scholen mogen uitleggen, en dat verveelt enigszins…


Waar denk jij aan bij de kleur geel?

woensdag 3 november 2010

De wereld als een regenboog (1)

De komende weken wil ik mijn blogs eens een kleur geven. Onder de noemer ‘de regenboog’ kan dat ook. Allerlei passages uit mijn leven zullen de revue passeren.
Vandaag deel 1: ‘Groen’.

---

Ze zeggen dat de lente vol zit met kleuren, maar laten we eerlijk zijn: de herfst kan er ook wat van. Overal waar je kijkt zie je wel weer andere kleuren, tenminste, als je buiten bent. En dan niet alleen in de binnenstad waar de felle kleuren van de neonborden jouw kant op flitsen. Of waar de jassen van alle mensen om je heen vragen om aandacht. Nee, dat niet.

Ik bedoel meer in de natuur. De bladeren van de bomen liggen ofwel op de grond ofwel hangen ze nog aan de bomen, maar de kleuren variëren toch op veel meer vlakken. Is het ene blaadje knalrood, blijkt een ander blad nog gewoon groen te zijn. De dennennaalden springen er ook nog eens tussenuit, evenals de gevallen eikendopjes, tamme kastanjes, beukennootjes en dennenappels.

Op het moment van schrijven zit ik met mijn laptop in het bos. Dat kan want het is droog en ik zit, onder een enorme eik, redelijk beschut tegen de woekerende wind. Af en toe zie ik iemand langslopen. Vaak met een hond, soms alleen maar ook soms met z’n tweeën. En allemaal doen ze exact hetzelfde. Ze kijken me aan en in hun ogen lees je hun blik: Wat doe jij hier met je laptop?

Alle herfstige kleuren doen me denken aan enkele lessen die ik de vorige jaren omstreeks dit moment gegeven heb. Tekenlessen, natuurlessen en zelfs enkele crealessen zijn over de herfst gegaan. En waarom ook niet? De herfst bevat alle kleuren die je nodig hebt om ergens een succes van te maken.

Ze zeggen dat de herfst mensen meer depressief maakt. De dagen worden korter, het wordt steeds kouder en de neerslag lijkt ook niet te stoppen. Mist, regen, hagel en uiteindelijk zelfs sneeuw… het werkt niet mee om echt vrolijk te blijven. Die mensen snap ik, maar begrijp ik niet. (tja, da’s een logica die daar achter zit)

Het mooie is dat je de schoolvakken die ik, zoals eerder gezegd, gaf vaak kon inleiden met mooie filosofische stukken. Niet alleen de vraag ‘waarom heet groen groen?’ is interessant, maar ook de gedachten van de leerlingen zijn bijzonder.
Probeer zelf die vraag maar eens te beantwoorden. En kom niet met antwoorden als: ‘als groen blauw heette, hoe heet blauw dan?’ of ‘omdat alles anders in de war raakt’.

Regelmatig filosofeer ik wat met mijn leerlingen. Ze weten dus welke antwoorden ik wil, en welke niet. De één startte simpel met het verklaren van groen alsof hij wilde uitleggen hoe een puntenslijper werkt. Chronologisch en gestructureerd. Een ander begon bij het begin, bij Adam. Maar de mooiste verklaring kwam van een zevenjarige leerling. Met glinsterende ogen vertelde ze dat zij, toen ze vier was, met haar opa het bos in ging en dat haar opa haar steeds zei wat voor boom het was. En zij mocht vertellen welke kleur de blaadjes hadden. En steeds maar weer waren de blaadjes groen. En steeds zei haar opa: ‘Ja! Mooi groen zijn ze, hè?’

Nu snap je de verklaring van haar misschien niet helemaal, of helemaal niet. Misschien moet ik er bij zeggen dat enkele weken later haar opa stierf. Dat ze daar een hele tijd mee heeft gezeten. Dat het haar flink geraakt heeft, zoals alle sterfgevallen doen bij mensen.

Toentertijd, ik was op stage bij haar in de groep, heb ik in een kleine kring haar eens gevraagd wat het laatste was wat ze van hem herinnerde. En de dag erna gaf ik een tekenles met deze filosofische vraag aan het begin.
Ze vertelde haar verhaal en die glinstering in haar ogen werd al gauw een traan. Die traan werd al gauw een bui. Toen ze uitgepraat was, nam de juf haar even apart. Toen ze terug kwam lachte ze en ging ze ook aan het werk.

Ik sprak de juf aan het einde van de dag en vroeg haar naar dit moment. Ze zei niets meer dan dat groen vanaf dit moment haar lievelingskleur was.
Sindsdien kleurde ze heel veel met groen. Haar tekening was ook één van de mooisten. Allerlei groentinten wisselden elkaar af.

Net als tijdens de herfst in het bos. Groen op groen. Mooi dat het is! Voor iedereen die nog niet naar het bos is geweest in de herfst: GA.

Groen als bladeren.

woensdag 20 oktober 2010

Om succes te hebben, moet je falen

Vandaag wil ik eens beginnen met een vraag. Dat is iets wat ik niet vaak doe, maar op deze manier wil ik jullie ook eens - figuurlijk dan - wakker schudden.

Wat betekent het als je niet faalt?

De meeste mensen antwoorden wanneer ze deze vraag voorgeschoteld krijgen, met het volgende antwoord: ‘Niet falen betekent succes hebben.’

Succes. Dus als je dat goed begrijpt lijkt het wel alsof falen en succes antoniemen zijn geworden, tegengestelde dingen die hoe dan ook niet hetzelfde kunnen zijn. Twee aparte begrippen, met een kleine link doordat ze elkaars uitersten zijn.
Dit is absoluut niet het geval. Het is namelijk zo dat de twee woorden op dezelfde weg staan. Ze hebben meer met elkaar gemeen dan je zou denken.
Ook al lijkt het dat falen en succes echt de tegenpolen van elkaar zijn, ik wil eens een andere zienswijze hieraan toevoegen. Out of the box, denk maar eens mee.

Het tegengestelde van niet falen is, gek genoeg, falen. Het lijkt belachelijk, het klinkt absurd dat als je dus niet faalt, dat je faalt. Maar lees maar door, ik zal dit proberen uit te leggen.

Ons leven kun je zien als een trip. Niet zo eentje waar je ‘speciale medicijnen’ voor moet hebben, alhoewel dat wel kan, maar een gewone tocht. Een lange reis waar we dingen leren door te doen en door risico’s te nemen. We proberen de beste persoon te zijn die we kunnen zijn. Maar elke keer dat we stoppen met het nemen van risico’s en weglopen bij mogelijke faal- en baalmomenten, stoppen we met groeien en missen we de dingen die ‘zouden kunnen zijn’. We houden, door weg te blijven van missers, onze persoonlijke groei tegen.

De enige manier voor jou en mij om te komen waar we willen komen, waar we willen zijn en wat we willen bereiken is door te falen. Door dingen verkeerd te doen, te mislukken en fouten te maken. Door het falen kunnen we leren van die fouten die we gemaakt hebben.
Je zou dus kunnen zeggen dat elke keer dat je faalt, je een stap dichter bij het succes bent gekomen. Zonder falen is er geen succes.

Ik zeg dat om je te troosten. Je hoeft niet angstig te zijn om te falen. Integendeel, als je op een plek bent waar je al een tijdje niet gefaald hebt en jezelf niet in zo’n situatie geplaatst hebt, zou je dat eens moeten doen. Haal jezelf uit de veilige zone en probeer wat nieuws.
We moeten leren dat falen net zo goed deel van ons leven is als, laat ik een voorbeeld geven, het sterven of belastingen betalen; Het zal nooit verdwijnen en, nog belangrijker dan de dood of de belastingen, we kunnen een heleboel leren - en dus groeien in het leven - als we leren wat falen is.

Om succes te hebben, zal je moeten falen. Omhels dit idee en leer om blij te zijn de volgende keer dat je faalt. Geniet van je fouten.

---

Tja. Dit zeg ik dan. Het klinkt allemaal zo mooi. Geniet van je fouten. Wees niet bang om iets fout te doen. Iedereen die me kent die zal nu denken, zeggen of zelfs van de daken schreeuwen dat dit niet bij mij past. Het hoort niet bij mij.
En gelijk hebben ze. Ik mocht willen dat ik blij kon zijn met fouten die ik maak. Het is echter het tegengestelde. Ik word boos, onrustig en soms lichtelijk depressief door fouten.
Maar, lichtpuntje in de duisternis, er is één ding wat ik geleerd heb door mijn fouten: Ik kom er altijd sterker uit.
Ook al duurt het een tijdje. I’m back! 

woensdag 6 oktober 2010

Een neurotisch pluisje

Elk jaar gebeurt het me een paar keer, vooral in de herfst. Ik krijg last van een enkel pluisje op de grond van de kamer. Dat ene pluisje dat er - laten we heel eerlijk zijn - waarschijnlijk al enkele weken ligt, irriteert me mateloos. Het ligt daar maar niets te doen en het is gewoon een stoorzender. Mijn ogen worden automatisch er naar toe getrokken, alsof het een magneet is.

In het begin ontken ik het bestaan ervan, ik laat het liggen en doet net alsof het er niet is. Elke ochtend voor werktijd loop ik erlangs, mijn ogen gewoon de andere kant op. Soms lukt dat. Meestal wind ik me nog meer op over het feit dat het daar ligt. ’s Avonds precies hetzelfde.

Ik kan er ook niets aan doen! Ik heb het daar niet geplant. Iemand anders zal het daar wel hebben neergelegd, ik niet. Het is niet van mij, dus laat ik het liggen. ’t Zal wel door m’n broertje achteloos zijn weggegooid, niet wetend dat hij er anderen mee zal irriteren. Maar dat gebeurt dus wel.

Zo ging het twee weken. Twee hele weken heb ik het ‘zijn’ van het pluisje door de vingers gezien. Gedaan alsof het niets was, alsof het niet bestond. Totdat ik zag dat het pluisje een paar vriendjes op bezoek had. Het was er nu niet één meer, nee, het waren er al vier!
Vier hele pluisjes! Ik heb ze geteld!

Mijn vuisten vormen zich tot ballen en ik voel de woede mijn lichaam overnemen. Door mijn hoofd schieten talloze maatregelen, de één nog rigoureuzer dan de ander. De meeste bevatten op z’n minst een ‘Deze actie is niet geschikt voor kinderen onder de twaalf jaar’-stempel. En die van geweld. En - alhoewel ik dit nooit zal toelaten - ook één van grof taalgebruik. En mogelijk het discriminatie-stempel ook. Want hij is klein, en ik ben enorm. En met mijn woede tel ik voor twee.

Eén van de aders op mijn voorhoofd voel ik gewoon kloppen. Klop-klop, klop-klop…Mijn adem gaat vooral door mijn neus, mijn lippen zijn op elkaar geklemd en vormen één lijn. ‘No more mister Nice-guy’, vanaf nu is het afgelopen. Geen gezeur, ze gaan eraan! Hou de brandblussers maar gereed, schrik niet van al het lawaai en - bovenal - bel geen 112.

Opeens gaat de deur open. Een gemompeld ‘hoi’ verslapt mijn furie tijdelijk. Mijn broertje wandelt binnen. Hij heeft net gevoetbald en gooit zijn sporttas op de grond. Precies op de plek waar de pluisjes zaten! Magnifiek! In één keer heeft hij het probleem verduisterd! Mijn woede daalt, mijn ademhaling gaat weer rustiger en mijn vuisten beginnen weer op handen te lijken. Eindelijk. Probleem opgelost. Toch?

Dat dacht ik. Totdat mijn broertje de tas weer weghaalde en er nu geen vier, maar vijf pluisjes lagen. Vijf! Vijf van die verschrikkelijk irritante pluisjes. Niet één, niet twee, ook geen drie of vier, maar vijf! VIJF!
Op een zo vriendelijk mogelijke toon - lees: snauwend en bits - vraag ik hem om de pluisjes even op te ruimen. Hij kijkt me aan, kijkt naar de pluisjes, kijkt me weer aan en zegt dan: ‘Oké.’
Diep van binnen zucht ik van opluchting. Eindelijk, het probleem is opgelost.

Hij lijkt te gaan bukken maar besluit op het laatste moment iets anders te doen. Hij schopt de pluisjes weg. ‘Zo,’ zegt hij, ‘nu liggen ze daar niet meer. Ik ben boven!’
Hij heeft gelijk. De pluisjes liggen niet meer op de plek. Nu liggen er vijf pluisjes op vijf verschillende plekken, overal verspreid door de kamer. Ik kan weer van voor af aan gaan beginnen.

---

Op dit moment gaat - of is al gegaan - er een gedachte door je hoofd die zegt, roept of zelfs schreeuwt: ‘Martijn, ruim dat ding gewoon op. Dan ben je klaar! Dan erger je je niet meer aan een pluisje.’ Of misschien zelfs wel de gedachte: ‘Doe niet zo moeilijk. Je druk maken over pluisjes? Je bent gek!’
En als klap op de vuurpijl hoor ik: ‘Wow Martijn, heb jij OCD?’ (met als stille achtervolger: ‘ik ook.’)

Die vragen van jullie zal ik straks wel beantwoorden. Ook als je andere vragen hebt, reageer gewoon en ik beantwoord. Maar laat me nu gewoon even het verhaal afmaken. Oké?

---

Op dat moment - jeweetwel, toen de pluisjes zich verspreid hadden - kon ik twee dingen doen. Heel erg boos worden, mijn broertje compleet martelen en het uitschreeuwen van woede of rustig blijven.
Ik koos voor het laatste. Ik bleef rustig, zong voor mezelf het liedje wat Bassie altijd zong in dit soort situaties en sloot mijn ogen. Toen ik, drie minuten later, gekalmeerd was, had ik genoeg durf en energie opgedaan om op te staan, de pluisjes te laten liggen en de deur open te zetten. Frisse lucht doet toch wat met je.

Het kalmeert en de koelte verfrist je ook. Het geeft je nieuwe kracht om na te denken, dingen vanuit andere perspectieven te bekijken en dus ook tot andere oplossingen te komen. Vaak, als ik in een impasse zit, ga ik even een stukje lopen. Het liefst in het bos, maar soms ook gewoon een blokje om. De lucht helpt me alles te ordenen en te overzien. Probeer het zelf maar eens. En mocht het niet lukken, loop dan eens een stukje met mij mee. Problemen hebben een neiging om zichzelf (een beetje) uit de knoop te helpen als je ze hardop uitspreekt. En twee weten meer dan één.

Toen ik dus buiten stond kreeg ik in een ingeving. Ik liet de deur wagenwijd openstaan en liep naar binnen, bukte bij alle pluisjes en pakte ze op. Voorzichtig - want anders waaien ze alsnog uit mijn hand - liep ik naar de container en gooide ze daar in weg. Opgeruimd staat netjes, dacht ik. Maar toen zag ik het.

Door de lucht zweefden allerlei kleine witte pluisjes, afkomstig van een hoge boom. En aangezien hoge bomen veel wind vangen, vlogen de pluisjes alle kanten op. Waaronder naar huis, waar de deur open stond en als een mond de pluisjes naar binnen probeerde te lokken. Ik sloot mijn ogen, haalde diep adem en liep naar binnen.
De pas gevallen pluisjes pak ik ook op en gooi ik in de vuilniszak. Opgeruimd staat netjes.

Je kan, ook al voel je je zo machteloos, altijd iets doen. Begin simpel. Stap voor stap. Zelfs de grootste problemen kunnen worden aangepakt. Vecht er niet tegen, accepteer en omhels het. En begin dan met opruimen. Boos worden helpt toch niet.


woensdag 22 september 2010

Yes we can!

Weet je nog hoe Obama aan zijn huidige werk kwam? Overal waar hij kwam zweepte hij de mensen op met één simpele boodschap: ‘Yes we can!’ Op die manier gaf hij iedereen het gevoel dat hun stem er toe doet, dat zij er mogen zijn.
Misschien meent hij dat ook wel daadwerkelijk. Ik kan niet in zijn gedachten kijken. Maar wat ik wel merk is dat hij in die dagen dat hij nu president van Amerika is, meer tegen- dan voorstanders heeft gevonden.

Trouwens, Obama wordt gezien als de eerste zwarte president van Amerika. Ik weet er zo nog drie op te noemen. David Palmer en zijn broer kan je zien als voorgangers van Obama en dan heb ik het nog nieteens over Morgan Freeman. Die man die speelt alles!

Het sluiten van Guantanomo Bay heeft als gevolg dat de gevangenen nu ergens anders gevangen gezet worden. Je laat die mensen toch niet lopen? Dus nu zijn in het voormalige Oostblok en in arme Afrikaanse landen enkele zwaarbeveiligde ‘huizen’ gebouwd. Met Gitmo wist je tenminste waar die mensen waren, nu kunnen ze overal zitten.

Of het zorgstelsel wat Obama verplicht heeft. Iedereen heeft een ziektekostenverzekering. Gek genoeg zijn de Amerikanen daar ofwel compleet voor, ofwel compleet tegen. Je ziet rijke en arme Amerikanen samenkomen om een protest in te dienen of het te steunen.

Je vraagt je nu waarschijnlijk af wat ik wil met dit hele geraas over Obama en de Amerikanen. Eigenlijk is het simpel. Verandering, welke dan ook, doet mensen nadenken over alles. Soms is verandering goed, soms ook niet. Sommige veranderingen hebben zowel voor- als nadelen.
Een verandering die goed is, bijvoorbeeld, is de uitvinding van penicilline. Een voorbeeld van een foute verandering ligt bij bijvoorbeeld het gedachtegoed van Hitler. En een voorbeeld van zowel goed als fout ligt bij de auto.

De wereld veranderd. Elke dag zijn keuzes die we maken - en die voor ons gemaakt worden - bepalend in hoe de wereld de volgende dag er uit ziet. Sterker nog: zelfs de minuten na een keuze kunnen alles al veranderen. Alles wat we doen heeft een impact op de wereld. Wij beïnvloeden de wereld.
Natuurlijk zijn de keuzes die we maken niet direct wereldnieuws. Het zou wat zijn als morgen de kop in het landelijk dagblad is dat Martijn voor het eerst een energiedrankje gedronken heeft. Dat zou wel al te gek zijn.
Trouwens, afgelopen zomer heb ik inderdaad voor het eerst zo’n blikje gedronken. Smerig zoet, moet ik zeggen. Maar ik werd er wel hyper van. Nog meer hyper-der dan ik al ben. En ik denk dat ik niet snel weer zo’n blikje neem. Dus eenmalig, Cynthia! J

Wij bepalen de toekomst en het heden. Als wij massaal een auto gaan kopen en er flinke hoeveelheden benzine tegenaan gooien verpesten we de wereld. Voor ons zal het nog wel leefbaar blijven, maar wat te denken van ons nageslacht? Wat laten wij voor de wereld achter?

In plaats van hersenloos dingen achtervolgen kan je ook eens nadenken. Wij maken de toekomst. Wij kunnen zorgen voor veranderingen.

Yes we can!

woensdag 15 september 2010

Ik word altijd wakker met een wijsje in mijn hoofd...

Je hebt van die mensen die elke morgen weer met een verkeerd been uit bed stappen. Die elke keer weer met een humeur hun slaapkamer verlaten. Die echt absoluut eerst een dosis cafeïne moeten hebben om überhaupt te kunnen functioneren. Zo'n iemand ben ik dus helemaal niet.

Natuurlijk is het niet zo dat ik, zodra de wekker gaat, direct naast mijn bed sta of dat ik nooit een humeur heb. Dat zou pas apart zijn. (Apart? Ja, best wel...)
Desondanks ben ik wel iemand die elke ochtend weer uit zijn bed stapt (of in mijn geval soms rolt) en dan ook vrolijk de dag begint. Dat ben ik ten voeten uit.

Elke werkdag begint mijn ochtend rond half zeven. Mijn wekker gaat af, de radio begint te spelen en tik met mijn voeten mee op de maat van de muziek. Tien minuten later stap ik mijn bed uit, was me en kleed me aan, waarna ik de radio uit zet. Ik drink mijn ontbijt (ja, weer zo'n tijdelijk iets: ik drink tegenwoordig van die drinkontbijten ipv niets te eten. Eerder dronk ik gewoon twee bekers melk op de vroege ochtend. Heerlijk. En ga nu niet zeuren dat ik het belangrijkste maal van de dag mis. Ik mis helemaal niets. Punt) en poets mijn tanden. Vervolgens pak ik mijn tas en jas, draai de deur open om hem nadat ik er door heen ben gelopen weer dicht te draaien en wandel de meters naar mijn auto.
Instappen, radio aandoen, starten, ruiten schoonmaken, verwarming aanzetten (het is koud 's ochtends!!!) eerste versnelling, handrem neer, gordel om en lichten aan. En dan lekker rap wegrijden.

Vaak ben ik als eerste op school. Zingend, neuriënd of fluitend loop ik dan rond, de dagelijkse dingen doende.
Mijn collega's druppelen binnen en lijken zich te ergeren aan mijn 'vrolijkheid'. Met een snauw: 'Het is half acht, jong.' en schuddende hoofden lopen ze weg. Zeker gisteren en vandaag: 'Op een grote paddestoel...' (Even uitleggen: in de hal staat een herfsttafel met daarop champignons en shi-takes. Tja... hoe ik bij kabouters kom...)
Rond kwart over acht kijken zelfs de leerlingen op van mijn zingen en kijken me raar na.

Het kan dus niet aan mijn leeftijd liggen dat mijn collega's me raar aankijken als ik zo vrolijk door de gangen huppel. Zelfs de kids vinden het raar.

Tja. Ik ben gewoon van het slag: 'Ik word altijd wakker met een wijsje in mijn hoofd!'

Wat is jouw excuus?

(geschreven op 1-10-09)

woensdag 8 september 2010

Het leven is (g)een spelletje

Ik ben soms best wel een gamer. Ik speel regelmatig spelletjes op de computer, mijn gameconsole en ook - bij wijze van uitzondering - wel eens op tafel. Het ene moment race ik door de straten van een willekeurige stad terwijl de politie achter mij aan scheurt. De sirenes zijn oorverdovend hard en via de politieradio hoor ik dat er wellicht een helikopter ingezet gaat worden.
Het andere moment houd ik online mijn boerderijtje bij. Het hennetje legt enkele malen per dag eieren, het onkruid en het ongedierte verschijnt af en toe - waarna ik het weer weghaal - en soms is het tijd om iets te oogsten.
De zeldzame keren dat ik echt met anderen een spel doe - niemand hier thuis vind spelletjes echt leuk - dan is het al een potje monopoly, poker of klaverjassen. En heel soms Cluedo. Want wat is nu leuker dan een moord op te lossen?

Ook geniet ik stiekem om soms een moordje te plegen. Soms met de wapens van nu, schietend in het wilde weg of gericht, soms met het zwaard of te paard iemand omver te kegelen. En natuurlijk, één der mooiste momenten achter een gameconsole: het moment dat je iets helemaal goed beheerst!
Zoals bijvoorbeeld bij Guitar Hero. Je speelt zelf op een ‘gitaar’ en speelt mee met Queen, de Beatles of Green Day. Ik schep er een waar genoegen in om - weliswaar achter gesloten deur - luidkeels mee te jubelen en tegelijkertijd om het moeilijkste niveau mee te spelen. Mijn uitlaatklep eerste klas!

Maar het mooiste moet nog komen: Er is - al heel erg lang trouwens - een spel waarmee je echt alles kan wat je in het echte leven ook kan! Alles!
Noem maar op, het kan in het spel. Even een paar voorbeeldjes:

- Eten? De koelkast zit vol met eten en drinken!
- Een boek lezen? De boekenkast is dichtbij!
- Slapen? Als je een bed hebt, kan het!
- Naar de wc gaan? Met het toilet kan het!
- Klussen? Waarop niet?
- Zelf iets moois maken? Natuurlijk kan het, je kan het zelfs verkopen!
- Muziek maken? Kies maar uit! Piano, gitaar, drums, viool…
- Een spelletje doen? Noem het spel maar op, je kan het!
- Een carrière beginnen? Tientallen om uit te kiezen!
- Boodschapjes doen? Er zijn winkels genoeg!
- Studeren? Het kan er, op meerdere plekken zelfs!

Je kan zelfs vriendschap sluiten met anderen, trouwen, kinderen krijgen… Slapen, wakker worden, koken, de krant lezen, rekeningen betalen, lichten aan- en uitdoen… Zelfs kan je met het spel op vakantie gaan! Wintersport, bakken op het strand of lekker kamperen in de wijde natuur… zelfs dat kan met het spel.
Het lijkt het echte leven wel!

Het enige wat je maar hoeft te doen is een fictief personage maken - welke best gebaseerd mag zijn op echte personen - en met hem of haar gaan spelen. Ga vanuit je luie stoel met je persoontje aan het werk, laat hem de politiek in gaan of haar lekker op de kinderen passen. Eten opdienen, even douchen en naar bed om de volgende ochtend een stukje te gaan joggen…

Je hoeft je huis niet meer uit om alles te kunnen doen. Niet meer op vakantie, naar het werk, op de kinderen letten, lezen, leren, slapen… Je personage doet het allemaal toch al?

Toch moet je bij het spel wel opletten: je karakter moet genoeg eten, soms naar de wc of zich douchen, slapen en contact hebben met anderen. En natuurlijk moet je huisje er een beetje mooi uitzien, het moet geen zwijnenstal zijn…

Je zou haast vergeten dat je naast het spel zelf ook wat moet eten, en ook moet slapen.

Of zou er iemand zijn die jou opdrachten geeft door met de muis iets aan te klikken? Een muisklik voor schrijven, een muisklik voor muziek aanzetten en even later weer uit te zetten? Een muisklik die er voor zorgt dat je boodschappen doe of de auto pakt om naar het werk te gaan? Een enkele klik die je leven bepaalt? Iemand die met de muis jou rondjes kan laten lopen? Iemand die controleert wat je doet?

Een rare gedachte dat je niet zelf bepaalt wat je doet. Dat iemand aan jouw touwtjes kan trekken. Jij, een marionet. Een handpop. Een fictief personage.

Dat je niet meer in staat bent om zelf na te denken, dat alles voor je wordt bepaalt. Je hebt geen gedachten anders dan die van diegene die je bestuurd…

Zie je het voor je?



Echt waar?



Jij, die helemaal niets meer uit jezelf kan doen?



Alleen maar orders volgend?



Zie je het?



Denk dan nu eens aan kinderarbeid. Kinderen die geen eigen leven leiden. Of eigenlijk, kinderen die lijden. Elke dag lange tijd aan het werk voor een schijntje. Belachelijk niet?
Niet zelf kunnen beslissen wat ze willen. Niet zelf kunnen en mogen spelen. Geen kind kunnen zijn.

donderdag 2 september 2010

De Helpdesk van Ziggo

Ziggo had laatst een nieuwe slogan: "Hier wordt u behandeld zoals het hoort." 

Als dat zo is, word ik liever behandeld zoals het niet hoort. Want in dat geval betekent 'zoals het hoort' een product aanbieden dat aan alle kanten kraakt en rammelt. Dat product is internet. Of bellen. En het kraakt en rammelt niet eens, het houdt er gewoon mee op. 'Poef!' Uit. 

Dus een paar keer per maand kruip ik over de grond om tussen snoeren en kamerplanten stekkers van kastjes in en uit het stopcontact te doen. Na ongeveer een uur begin ik tegen de kastjes te schreeuwen: "Aaah! Je lampjes branden! Je zou het moeten doen!" En dat is het moment waarop ik besluit de helpdesk te bellen. 

Alle mensen die die helpdesk bellen hebben hetzelfde traject doorlopen als ik. Kruipen, stekkers, schreeuwen. Al die mensen zitten op het hoogtepunt van emotionele instabiliteit. Dus wat doet Ziggo? Die zette het helpdesk-kantoor vol met trage, mompelende studenten zonder tactiek maar mét een onverstaanbaar dialect. Zo'n student brabbelde dan: 
"Oe moet die sjtekker er outhalen ennem er na faif minoete wier indoen." 
Of: 
"'t zel wel 'n stoaring weez'n. Jèè, inderdèèd, 'n stoaring. Hoe lang of 't duurt? Pffffff...Dát kan'k niet zien hoar." 

En uiteindelijk verkeerde je na het bellen met de helpdesk in een nog veel uitzichtlozere situatie dan ervoor. Maar vandaag was alles anders. Ziggo heeft er ècht werk van gemaakt. Het traject van kruipen, stekkers en schreeuwen was hetzelfde. 
Maar toen ik de helpdesk belde kreeg ik iemand aan de telefoon die met warme stem níets over stekkers zei. Die me niet op de zenuwen werkte, maar me gewoon vertelde dat er een storing was. Ze zei niet "we wisten het al" maar "Er wordt aan gewerkt". 

Ik zag levensechte monteurs in overalls voor me, met een gereedschapskist. Dat was me nog nooit overkomen tijdens het bellen met de helpdesk. En toen ik zei dat ik internet nú nodig had, antwoordde zij dat er ook internetaanbieders zijn die een storing wél binnen 24 uur verhelpen, "maar die zijn vaak drie keer zo duur." 
Het was vast de manier waarop ze het zei waardoor ik dacht: "Inderdaad. Had ik maar een duur internetabonnement moeten nemen. Die storing is mijn eigen schuld." 

"Het kan twee dagen duren voor het opgelost is," besloot ze ons gesprek, "maar het is mooi weer, dus misschien kan je iets buiten gaan doen." Kijk, dat is nou zoals het hoort. Niet alleen vertellen wat níet kan, maar ook leuke dingen noemen die wél kunnen. Ik ben nu al benieuwd welke activiteiten ze komende zomer gaat voorstellen. 

Of zou er tegen die tijd zelfs nooit mee een storing zijn?? 

woensdag 25 augustus 2010

De Wereld zien als een Kind

Ik weet het nog als de dag van gisteren. Elke dag weer kwamen er vragen bij mij op. Iedereen die volgens mij een antwoord wist, vroeg ik erna. 
‘Pappa, waait de wind altijd?’ en ‘Waarom is de lucht blauw en het gras groen?’ of ‘Juf, schijnt de zon altijd?’ ‘Waardoor komt het water altijd door de kraan?’ Meerdere vragen waarop ik het antwoord wilde hebben. Mijn nieuwsgierigheid kende geen grenzen. 


Als je klein bent is de wereld vol wonderen. Je kunt je overal over verwonderen. Je begrijpt weinig en de dingen die je snapt intrigeren je mateloos. Denk maar eens na: de eerste keer dat je een lampknop vond, heb je deze waarschijnlijk wel tien keer aan en uit gedaan, totdat je vader of moeder zei dat het wel genoeg was. 


Ik was echt het straatvoorbeeld van een nieuwsgierige jongen. Overal waar ik kwam zocht ik dingen die ik niet wist. Om daarna het antwoord te zoeken. Schoolreisjes en excursies waren dan ook altijd een feest.


In groep 4 zijn we een keer naar de kinderboerderij geweest. De juf wist me dat twee jaar geleden nog te vertellen. Er was daar een man, een soortement gids, die ons rondleidde en ons dingen vertelde.  Hij wist dingen die ik niet wist. Ik heb die man het hemd van het lijf gevraagd. Zelfs totdat het zover kwam dat de juf me even bij haar hield, zodat de man ook andere vragen kon beantwoorden. Diezelfde week ben ik zelf nog een keer teruggegaan naar de kinderboerderij. Ik kon de man helaas niet vinden.


Ik weet ook nog goed dat ik in de zomer, toen ik een jaar of drie was, een tijd lang in het gras heb gelegen en keek naar de wolken. Elke wolk zag er anders uit, geen een was een kopie van een ander. Alles was uniek en bijzonder.


Ook ben ik in groep acht mee geweest op een vogelexcursie. De man wist een heleboel over vogels. Afgelopen jaar kwam ik de man weer tegen op een school waar ik toen lesgaf. Hij kende me niet meer. En dat terwijl ik toch ook hem alle mogelijke en denkbare vragen gesteld heb. En dat echt tot op het bot nieuwsgierig.


Ook van dingen die in het journaal gebeurden wilde ik het fijne weten: een aardbeving in de Filipijnen zorgde ervoor dat ik me interesseerde voor aardbevingen. Na de film Twister gezien te hebben heb ik een boek opgezocht over tornado’s. En nog steeds lees ik de ingrediëntenlijstjes van alle producten die ik eet. En weet vaak ook wat het is.  


Laatst las ik ergens een mooie quote van Socrates. Ja, die filosoof die in het oude Griekenland woonde. Hij zei: ‘Ik weet maar één ding zeker, en dat is dat ik niets weet.’ 
Je kunt in je leven niet alles leren. Dat duurt gewoon te lang. Daar is je leven te kort voor. Maar waarom lijkt het alsof mensen niet eens de moeite nemen om een deel van alles te leren?


Via de computer praat ik regelmatig met mijn zus in India. In theorie kan iedereen dit lezen. Er zijn vertalers en vertaalprogramma’s genoeg. Via Twitter heb ik contact met mensen in Amerika en Australië. Ik schrijf mee met verhalen van mensen in België en Frankrijk. En dat is dan nog dichtbij!


Alles gaat tegenwoordig makkelijk. Heb je honger? Je loopt naar de koelkast, pakt er een broodje bapao uit en stopt ‘m in de magnetron. Een kleine minuut later heb je een lekker broodje, warm en klaar om te nuttigen. En staan we daar bij stil?


Alle dingen die voor ons zo vanzelfsprekend zijn, die we voor gewoon aannemen, zijn dat juist helemaal niet. Onze nieuwsgierigheid lijkt wel uitgezet te zijn. Hoe zou dat komen?


Nu weten we allemaal waar het water vandaan komt als je de kraan aanzet. We snappen hoe elektriciteit werkt – deels op zijn minst – en zijn daar niet meer verbaast over. En dat vind ik erg jammer. Want waarom verbijsteren we ons niet meer over de kleine dingen?


Soms ben ook ik iemand die alle dingen voor normaal aanneemt. Het is ook erg gemakkelijk om te doen. Je loopt rond, doet hier en daar een lichtje aan, drukt op de knop van de waterkoker en wacht tot je ergens kunt gaan zitten met een kopje thee en een koekje. 
In de trein kan je ook zo lekker zitten, niet nadenkend over de reis, want je komt wel op de plek van bestemming. Of in de auto, rijdend zonder echt exact te weten wat er nu precies voor zorgt dat je rijdt.


Ik zeg ook niet dat we allemaal altijd bij alles stil moeten staan. Dat we ons moeten afvragen waar nu precies de wind op windstille plekken niet waait en in het open veld juist weer heel hard gaat.
Of – en nu komen de echt grote dingen – waarom er aan de ene kant in Rusland zo droog is dat er bosbranden ontstaan terwijl er aan de andere kant, in Pakistan, China en India overstromingen zijn. Overschot in het ene deel, tekort in het andere deel. Raar, nietwaar?


En nu kun je wel voor sommige dingen met een antwoord komen, maar daar vraag ik helemaal niet om. Het enige wat ik wil, is dat we eens stil staan bij de ´normale´ dingen in het leven. Kijk daar eens tweemaal naar. 


Kijkze. Ontdekze. Geniet!


Fijne week.

donderdag 19 augustus 2010

Wie bewaakt de bewaker?

Heb jij dat ook wel eens? Dat je denkt: 'Wat zullen we nu beleven?'

Dat overkwam mij laatst ook. Ik was op de terugweg vanuit Groningen - waar ik een vergadering had - naar de volgende vergadering in Assen. En toen gebeurde het.

Ik wist niet wat me overkwam, zo ineens gebeurde het. Maar de actie die ik ondernam maakt het allemaal nog ongeloofwaardiger. Echt waar!

Ik reed een slordige 120 kilometer per uur op de A28 - alhoewel het ook wel eens in de buurt van de 130 kon zijn, of meer - met de muziek keihard aan. Daardoor heb ik de neiging sneller te rijden dan dat er op de Nederlandse snelwegen mag, maar dat geheel terzijde.

Ik reed dus 'vrij snel' toen ik opeens in mijn zijspiegel een rood/wit/blauwe auto aan zag komen rijden. 'Sh!t,' dacht ik, 'heb ik weer...' en mijn rechtervoet schoot omhoog om zo wat snelheid te minderen.

Toen ik net onder de 120 kilometer zat schoot de auto langs mij, mij in een wolk van uitlaatgas achterlatend. En dat liet ik niet over mij heen komen.

Ab-so-luut niet!

Met mijn rechtervoet die het gaspedaal de vloer indrukt, schiet mijn autootje vooruit, achter de mooie politiewagen aan die - en dit is het meest belangrijke - geen sirene of zwaailichten aan heeft.

Terwijl ik zo rond de 140km/u rijd en de politiewagen nader, zie ik de politieagent in zijn spiegels kijken. Hij geeft richting aan, veranderd van rijbaan en laat mij er langs. En toen begon het.

Ik ging voor hem rijden, reed weer de toegestane 120 kilometer per uur en zag hoe de politieauto, net als ik, bij de afrit eraf ging.

Samen reden we langs de carpoolplaats, waar ik toch afsla als ik de politiewagen hetzelfde zie doen. Zijn knipperlichten stonden ruim voor de afslag aan, dus deed ik hetzelfde.

Eenmaal op de carpoolplaats stap ik uit mijn wagen en klop op zijn raam.

De man kijkt mij raar aan en drukt op een knopje waardoor het raam naar beneden glijdt. 'Ja?' klinkt er aarzelend uit het raam, in een wat brommerige toon.

Ik zie schuin achter mij een andere politieagent uit een auto stappen, maar dat hinderd me niet. 'Weet u wel hoe hard u reed?' vroeg ik hem.

Je had de blik van de man moeten zien. Verbazing en ongeloof dropen er vanaf.

Stamelend zegt hij: 'Te snel neem ik aan?' Ik knik.

Achteraf is dit wel het meest frappante punt. De man kreeg opdracht om een collega hier op te halen en was wat laat. Zijn collega stapte al in de wagen, hoofdschuddend van het lachen. Hij had het hele verhaal aangehoord en vroeg uiteindelijk: 'En toen heb jij 'm maar aangehouden?'

Ik knik, bloedserieus als ik ben, en zeg: Quis custodiet ipsos custodes?

Uiteindelijk vervolgen we allemaal onze wegen. Maar wie let er nu op mij, als ik op de agenten blijf letten?

woensdag 11 augustus 2010

Toen ik nog klein was…

Tja, op deze manier kun je een heleboel beginnen, nietwaar? Toch wil ik eens lekker ‘ouderwets’ terug kijken naar vroegâh. Want toen was toch alles beter? Of is het gewoon mijn naïviteit die aangeeft dat toen alles beter was… Hoe dan ook:

Toen ik nog klein was…

…was mijn opa de koster van onze kerk. Een mooie, grote kerk waar ik graag in ronddwaalde. Helaas mocht dat niet altijd. Meestal moest ik in de kosterswoning - waar mijn grootouders woonden in die tijd - blijven, maar de deur naar de kerk was eigenlijk nooit op slot. Tenminste niet voor degene die wist waar de sleutel was. Niet voor mij dus.

Enkele malen in het jaar logeerde ik bij mijn opa en oma. Dat was vaak erg gezellig. Spelletjes werden uit de kast gehaald - echte ouderwetse spellen als sjoelen - en er werd ’s avonds laat warme chocolademelk gemaakt, met heerlijke slagroom. Dat was geweldig!

’s Nachts sliep ik niet veel, er waren veel te veel geluiden die ik niet kende en, als gevolg daarvan, deed ik dus geen oog dicht. Maar dat deerde mij niet, de volgende dag was ik net zo druk - als het al niet drukker was - en deed weer een heleboel leuke dingen.

Vaak overnachtte ik maar één nacht bij mijn grootouders. Dat was voor hen erg leuk - een kleinkind op bezoek is vaak reden tot een klein feest, nietwaar - en voor mij ook. Ik kon namelijk de kerk in. Op zoek naar de plek die mij het meest intrigeerde…

Ik hoorde laatst een leuke anekdote van een collega van mij, een kleuterjuf, over een gesprek dat zij had met een groepje leerlingen. Ze hadden het over de kerk. (En ja, dat past weer mooi bij dit stukje) Eén van haar leerlingen vroeg haar waar God woonde. Ze speelde de vraag door naar de andere leerlingen en die gaven het - overduidelijke - antwoord dat God in de hemel woonde. De jongen knikte begrijpend, maar er zat hem iets dwars, dat zag de juf meteen. Dus, even later, vroeg ze de jongen even te wachten. ‘Waar denk jij dan dat de Here God woont?’ vroeg ze hem. ‘Nou,’ begint hij, ‘de dominee wijst altijd naar boven. En boven hem is het orgel! Is dat dan de hemel?’

Lang leve kinderen. Je krijgt de meest leuke gesprekken met hen, zoals het bovenstaande voorbeeld al laat merken. Maar laat ik eens terug gaan naar het verhaal. Daar begon alles immers mee. En dat verhaal is nog niet af.

Toen ik dus nog klein was…

… logeerde ik af en toe bij mijn opa en oma. Eén keer, toen ik ongeveer acht jaar oud was, vroeg oma mij of ik even naar opa wilde gaan. Zij moest een boodschap doen en opa was in de kerk, en ik mocht schijnbaar niet alleen in het huis zijn. Dus ik naar opa toe.

‘Opa, opa!’ kwam ik aangerend. ‘Kan ik u helpen?’ Hij keek me aan en gaf me daarna een theedoek. Ik mocht afdrogen. Nu vond ik dat - in die tijd - geen probleem. Ik begon kopjes af te drogen en zag dat voor elk kopje wat ik afdroogde, mijn grootvader er weer drie in de plaats zette. Ik probeerde sneller en sneller te gaan, maar mijn opa was nog sneller. Toen er zo’n dertig kopjes stonden pakte ook hij een droogdoek. Gelukkig maar. (ja, hij begon met mijn afgedroogde kopjes nogmaals te af te drogen… flauw hè)

Toen we daarmee klaar waren ging hij de kerkzaal dweilen. Ik liep een beetje rond en mijn voeten brachten me al gauw naar boven, naar de meest mooie plek voor een kind in de kerk. Ik zeg meest mooi, ik bedoel natuurlijk de meest interessante, spannende en intrigerende plek van de kerk. De plek die je elke zondag zag, vanwaar veel kwam, maar wat daar precies gebeurde…

Mijn ouders zijn vroege vogels. Nu dat ik dat gezegd heb, moet ik dat ook even uitleggen. Elke zondag begon, en begint, de kerkdienst om half tien. Mijn ouders waren dat soort mensen die om stipt negen uur van huis vertrokken om dan een vijftal minuten later al in de kerk te zitten. Tussen alle bejaarde mensen zaten mijn ouders en hun kinderen, ik dus ook, al te wachten. Alsof er anders geen plek meer was. In een kerk met zo’n twaalfhonderd plekken.

We zaten vaak boven, met recht voor ons de preekstoel maar, nog belangrijker, daarboven het orgel. En dan hebben we een organist die geweldig speelt. Niet goed, niet redelijk goed, maar echt geweldig! Hij speelt het ene melodietje en daartussen gooit hij nog even drie andere liedjes, alsof het niets is. Ik heb, in diezelfde kerk, Martin Mans en Jan Vayne horen spelen, op datzelfde orgel, maar hij is echt, voor mij, van dezelfde klasse. Magnifiek.

Mmm. Ik dwaal weer af. Of dat helemaal de bedoeling is… Ik zal weer verder gaan. Het verhaal moet toch een keer af zijn…

Dus… toen ik nog klein was…

… liep ik door de kerk mijn voeten achterna. Dat klinkt gek, maar zonder het te weten stond ik boven bij de ingang van het orgel. De plek, waardoor ik toentertijd zo gebiologeerd werd, lag aan mijn voeten. Ik hoefde alleen nog maar het deurtje te openen. Langzaam opende ik dat deurtje.

Ik gaf mijn ogen goed de kost. Ik liep achter het orgel langs en staarde met open mond naar de grote ijzeren pijpen die het orgel rijk was. Aarzelend liep ik verder. De tweede deur, die naar de toetsen leidde, zat me te lokken. Het zat op een kiertje en het leek wel alsof de wind me lokte, want een kleine windvlaag opende de deur nog verder. Mijn voeten liepen, terwijl mijn gedachten ze achterna gingen.

Daar stond ik. Ik keek over de kerk uit als de koningin op haar balkon naar de menigte keek. Niet dat ik zwaaide ofzo, zo gek was ik ook weer niet, alhoewel de gedachte daaraan wel weer bij mij past. Misschien zwaaide ik ook wel, ik weet het niet.

Toen ik een kwartslag draaide zag ik daar de toetsen en de pedalen van het orgel. Drie rijen toetsen boven elkaar en een lange rij pedalen op de vloer. Ik stond met open mond te kijken. Thuis hadden we een klein orgeltje, met een rij toetsen en enkele pedalen. Dat vond ik al groot. Maar dit, dit was enorm.

Zoals ik al zei hadden we thuis toen ook een orgeltje. Mijn zus speelde daarop en leerde mij ook af en toe enkele liedjes. Ik kon toen, en daar was ik erg trots op, het Wilhelmus spelen. Niet goed, niet snel, en fouten maakte ik waarschijnlijk om de noot, maar toch. Als zij me hielp, speelde ik het Wilhelmus.

Trouwens, ook al vond ik dat orgeltje soms best leuk, ik ben ook een keer van het krukje afgevallen. Nu denk je misschien ‘ach, da’s niet zo erg’, maar dat was het wel. Mijn kin viel op de toetsen, waardoor mijn tong… ach, dat idee zie je vast wel voor je… en daarnaast landde ik met mijn hoofd op één van de pedalen, waardoor ik ook nog eens een enorme bult op mijn achterhoofd kreeg. Niet één van de fijnste dagen.

Van uitstel komt afstel, zeggen ze. En ook al schrijf ik dit allemaal in één keer op (ja, ik neem anderhalf uur van mijn tijd om dit verhaal op te schrijven) toch merk ik, net als jullie, dat ik het niet 100% afmaak. Dus nu het finaledeel, het klapstuk, het kersje op de taart, het puntje op de i…

Toen dus…

… ging ik zitten op de kruk. Mijn voeten konden niet bij de pedalen. Ik zal op het puntje van de kruk, maar nog steeds reikten mijn voeten niet tot de pedalen. Dan maar zonder.

Ik keek goed naar de toetsen en zocht die ene speciale toets, die toets waarmee het Wilhelmus begon. Het was verwarrend, want de toetsen waren niet zwart wit. Ze waren meer bruin grijs. Maar al snel had ik door dat de bruine toetsen de witte waren, en de grijze waren de zwarte.

Ik legde mijn vinger op de eerste toets. Niet om de toets in te duwen, maar dat gebeurde toch. Mijn onbewuste speelde. Een toon schalde door de kerk, en mijn ogen zochten de tweede toets. Dat was drie noten daarnaast. En ook die duwde ik in. Het geluid ging maar door. In mijn achterhoofd hoorde ik mijn opa roepen. Maar daar was ik niet mee bezig.

Ik zocht de volgende noot, en vond ‘m. Ik speelde het Wilhelmus, in de kerk! Toen ik bij de achtste noot was hoorde ik naast mijn aarzelend spelen een andere toon. Ik zocht waar het vandaan kwam, maar achter mij was de organist opgedoken. Hij reikte zijn armen naast de mijne en speelde met mij mee!

Terwijl ik, op mijn tempo, het Wilhelmus speelde, speelde hij er omheen. Een baspartij, die mij begeleidde. Ik ging door en pakte bijna de verkeerde noot toen hij mijn vinger een noot opzij legde. Hij speelde met mij. Nog steeds vind ik het hard te geloven.

Nadat we samen één couplet hadden gespeeld keek hij me bewonderend aan. En ik hem ook. Samen hadden we dat toch even gedaan!

Dat was cool. Dat was echt enorm gaaf. Het is niet dat hij zei: ‘Ga toch weg! Dit is mijn plek.’ Hij hielp me.

woensdag 4 augustus 2010

De opnemende irritator

Heb je dat ook wel eens? Zit je lekker te luieren, gaat opeens de telefoon. Zo ook regelmatig bij mij. Heel irritant. Lees maar eens.

Op een willekeurige avond terwijl je rustig thuis zit te relaxen gaat de telefoon. 'Hallo meneer,' klinkt er door de telefoon nadat je 'm hebt opgepakt. 'Mag ik u wat vragen?'

Zuchtend omdat je al weet waar je aan begint geef je een positief antwoord, wachtend op de reden van het telefoontje en, nog belangrijker, zoekend naar een manier om in te breken in het gesprek.

'Kijkt u wel eens naar het journaal, meneer?' Ik veer op, een aparte manier om een gesprek te beginnen, zeker aangezien de beller nog niet eens heeft gezegd voor welk bedrijf hij belt. Ik antwoord het eerlijkst met een mooie 'jaaaaaa...' die zich lang uitstrekt om maar eens aan te geven dat dit over het algemeen voor 95% van de mensen geldt. Een soort 'duh'-achtig geluid.

'Dan heeft u vast ook wel eens gehoord over de financiële crisis?' Wederom klinkt er een 'jaaaaa...' van mijn kant van de lijn.

'En ook wel van al die banken die één voor één op de fles gaan?' 'uhuh,' klinkt er van mij, terwijl ik lichtjes me mijn hoofd begin te schudden.

---

HO! Even iets tussendoor: De telefonische verkoper wil me met deze vragen, waar bijna iedereen 'ja' op zal antwoorden, in een ja-stemming brengen. Op deze manier zal ik eerder toezeggen in het eventueel kopen van dingen.

Tegelijkertijd stuurt hij het gesprek met allemaal vragen die mij het gevoel geven dat ik het goed doe, zodat ik positief tegenover hem en zijn product kom te staan.

Psychologie aan de basis van verkopende mensen...

---

'Mag ik u dan vragen bij welke bank u bankiert?' Duidelijk, helder en simpel vraag ik hem bij welke bank hij zit. Lekker deconstructief het gesprek opjutten.

'Dat is niet van belang, meneer,' zegt hij, pogend het gesprek om te draaien.

'Maar waarom is dat van mij wel van belang dan?' riposteer ik.

Je hoort een zucht en dan wat ratelende vingers op een toetsenbord. Duidelijk zoekt hij in het digitale script naar een antwoord. Dan gaat hij verder: 'Ik bankier bij de (...). Maar nu mijn vraag: Waar houdt u uw geld?'

Ik begin rustig uit te leggen: 'Ik heb een mooie portefeuille. Tegelijkertijd heb ik eigenlijk op meerdere plekken wat geld liggen...'

'Maar meneer,' onderbreekt hij mij, 'heeft u geen geld bij een bank?' Het komt er haast geschokt uit.

'Jawel,' antwoord ik, 'maar jij liet me niet uitpraten. Als je dat had gedaan, had je mijn antwoord ook gehoord.' Ik grijns en voel bijna woede door de telefoon heen komen.

'Waarvandaan bel je eigenlijk?' ga ik verder, de jongen van zijn werk houdend.

'Utrecht.' Het komt er wat aarzelend uit, alsof hij in de gaten heeft dat hij bij mij aan het verkeerde adres is. Maar ophangen bij een klant is geheel uit den boze.

'Studeer je?' vraag ik, en nadat hij zegt dat hij dat doet vraag ik hem wat.

'Een studie management en recht.' Ik vraag hem in welk jaar hij zit en, nadat hij het derde jaar noemt, vraag ik hem duidelijk of hij het opbellen van mensen niet ziet als een schending van de privacy van de mensen. Zoals in het wetboek staat.

'Meneer,' zegt hij, 'mijn mening doet er niet toe.' Ik schiet in de lach. Wat een onzin. De verkoper staat nieteens achter zijn manier. 'Dus jij vind dat dit eigenlijk niet kan. Da's toch enigszins apart, nietwaar?'

'Meneer,' antwoord hij, 'dat heb ik helemaal niet aangegeven.'

'Nee,' zeg ik, 'maar jouw ondertoon wel. Daar mag je nog wel eens aan werken.'

'Maar...' begint hij, maar ik onderbreek nu hem.

'Jongen, de reclame is nu afgelopen, dus ik ga ophangen. Nog een fijne avond, ik hoop dat er niet zoveel vervelende mensen aan de lijn hangen en veel plezier met je studie. Doei!'

Een ongelovige 'goedenavond' volgt, waarna ik de telefoon uit druk.

woensdag 28 juli 2010

De Ontmoeting

Gisteren was een hele bijzondere dag. Het was namelijk de dag dat ik een heel bijzonder iemand ontmoet heb. Iemand die net als ik bijdehand is, grappig en melig, maar met wie je ook een heel serieus gesprek kan hebben, een kopje koffie kan delen en zelfs, als het niet anders kan, anderen verschrikkelijk irriteert. Ik in het kwadraat, zogezegd.

Laat ik hem eerst maar eens voorstellen, dat jullie ook weten over wie ik het heb.

Vissie is bijzonder. Hij heeft niet - in tegenstelling tot al zijn familie - water nodig om te overleven, hij kan, net als jij en ik, gewoon buiten het water leven. Vissie heeft mij een bijzondere dag gegeven, een dag welke ik niet snel vergeten zal. En dat begon allemaal gisterochtend toen ik net wakker werd…

Het was een uurtje of zeven en ik hoorde een stem in mijn hoofd roepen: ‘Ga er op uit! Pak de trein en zie maar waar je heen gaat!’ Zo gezegd, zo gedaan. Ik stapte om acht uur in de trein richting Zwolle. En daar stapte hij in. Misschien… ja, ik zal even iets meer over Vissie vertellen. Dat jullie weten waar hij vandaan komt.

Vissie weet niet waar hij vandaan komt. Zo. Weten jullie dat ook. Ik dus ook niet. Pech gehad, jammer dus voor je.

Wat ik wel weet is dat Vissie al in Italië geweest is. En in Rome een relletje veroorzaakt heeft door op het graf van de onbekende soldaat te dansen… Tja… Ik zei toch dat-ie grappig was?

Ik werd door Vissie uitgenodigd om in de eerste klas plaats te nemen. En dat liet ik me geen twee keer zeggen. Samen met een nichtje van mij, Cynthia, volgden we Vissie gedwee. Want Vissie is Vissie. Hij wint elk argument. Zelfs het spel gele auto wint hij met gemak. En zelfs conducteurs laat hij in de waan dat hij er niet is. Want bij alle conducteurs zat hij gewoon op een stoel, maar hoefde niet te betalen. Slim hè?

Vissie vertelde ons enkele van zijn dromen. Hoe hij zo graag in Nederland op de foto gezet wilde worden met enkele bekende dingen. Dit zijn de dingen die hij ons liet opschrijven. En wij schreven, want hij is Vissie.

  1. De Dam
  2. De Amsterdamse grachten
  3. Het Binnenhof
  4. De waterplas in Den Haag
  5. Het Mauritshuis
  6. Een koe
  7. Met een KLM-vliegtuig (waarom weet ik ook niet)
  8. Het standbeeld van Willem de eerste
  9. Het standbeeld voor hertog Karel
  10. Een winkel met een i… (waarom???)

Vissie was iemand met dromen. Dromen die wij waarheid konden laten worden. Want jezelf op de foto zetten is wat moeilijk…

Eenmaal in Utrecht stapten we uit. Misschien was daar wel een winkel met een i. Wie weet. Tegelijkertijd vertelde hij ons dat we de eerste helft van de ochtend zoveel mogelijk mensen moesten irriteren. Dus deden we dat. Simpel toch? Lekker bijdehand begonnen we de ja-nee gesprekken.

(voor wie niet weet hoe dit moet? Lees maar: Ja? Nee… Nee? Ja!! Ja? Ja! Ja-haa! Nee? Nee-nee! En dat dan een tien minuten volhouden. En probeer maar niet in een deuk te schieten)

In Utrecht vonden we één van de wensen van Vissie. Foto nemen en klaar. Een wens was in vervulling gegaan. We stapten de trein weer in en merkten dat we in een stiltecoupe zaten. En niet zo maar een stiltecoupe in de eerste klas, nee, een stiltecoupe in de eerste klas waar Italianen aan het kletsen waren. En dat kan niet. Absoluut niet. Dus Vissie haalde de conducteur erbij en die stuurde op zijn beurt de mensen de eerste klas stiltecoupe uit. En zo kwam er extra ruimte voor ons vrij. Wij gingen daar zitten.

Maar omdat we in een stiltecoupe zaten, mochten ook wij niet kletsen. Dus riep Vissie tegen ons: ‘Maak een lijstje van dingen die je in een stilte coupe kan doen!’ En wij deden zo…

Enkele hoogtepunten van de lijst:

  • Kerktorens tellen
  • Het spel Gele auto
  • ‘Ssssst’ roepen tegen iedereen die praat
  • Naar elkaar sms’en
  • Stil lachen

En, als hoogtepunt (wat ook echt gebeurde)

  • Proberen anderen zo te irriteren dat ze bijna de coupe uitgaan!

In Gouda verlieten we de trein. We wilden niet naar Rotterdam. Want Rotterdam is zo… Rotterdam! Dus gingen we naar Den Haag. En de mensen waren blij dat we de trein uitgingen. Behalve de mensen die naar Den Haag wilden. Die zagen ons ook liever gaan…

Uiteindelijk waren we in Den Haag. Het was rond twaalven en Vissie had honger, dus zochten we een terrasje ergens om lekker even te eten. En dat was lekker! Een heerlijke Italiaanse bol met pittige kipfilet en chili-saus. Jammie! Alhoewel Vissie smakte en at met open mond (foei) hadden we het alle drie snel op en het ging er ook goed in.

We liepen door over het Binnenhof waar een politieauto ons goed in de gaten hield. Waarom weet ik niet, maar Vissie stapte er op af en tikte op de ruit. De agent schudde met zijn hoofd. Wie zegt dat Nederlanders aardig zijn, moet dus niet bij hem zijn.

Wel zag Vissie enkele goede vrienden van ‘m, de leeuwen van Oranje. Hij moest en zou met hen op de foto. En dat deden we dus braaf. Klik, klik… Foto’s gemaakt en toen gingen we door. Fonteintje hier, vlaggetjes daar. Mauritshuis, Binnenhof…Willem en Karel… allemaal foto’s waar Vissie bij wilde horen.

Nu ik er over nadenk is het best logisch. Vissie wil gewoon bekend worden. En daar help ik nu bij. En nu ik erover denk… wie heeft die wens niet? Na een uurtje vertrokken we uit Den Haag met de eerste trein die vertrok. En die ging naar Amsterdam. Duszz…

Maar in de trein was Vissie nogal brutaal. Hij zette alle lampen in de eerste klas aan. Eén voor één gingen de lampen aan. Wij, Cynthia en ik, lagen allebei dubbel van het lachen, want Vissie deed me toch raar… En trouwens, de man en de vrouw die beiden in de eerste klas bij ons zaten waren me toch woedend! Ze keken ons aan en als blikken konden doden… Gelukkig hadden we Vissie die ons beschermde…

In Amsterdam was het druk. Erg druk. Heel erg druk. Maar Cynthia zei dat het wel meeviel. Ik vond het druk. Te druk naar mijn zin. Maar gelukkig hadden we Vissie. Die nam ons mee en bracht ons snel naar de Dam. Iedereen ging opzij voor ons. Leve Vissie!

Naast de Dam wilde Vissie ook op de foto in de Amsterdamse Grachten. Maar toen hij die eenmaal zag, durfde hij niet meer. Het water was zo smerig… Dus bleef hij gewoon staan. Aan de rand. Op het hek. Want in het water… Bah… We moesten er niet aan denken. Brrr…

In Amsterdam hebben we nog een terrasje gepakt… Of eigenlijk pakte Vissie de eigenaar aan die direct een nieuw tafeltje en stoelen neerzette, speciaal voor ons. Maar misschien dat het daarom ook zo duur was… Verschrikkelijk. En ik vond twee ijsjes in Parijs voor 10 euro al duur. Of zeven drankjes in Rome voor 42 euro. Maar nu… Zelfs Vissie kon er niets aan doen.

We zijn bijna weggerend uit Amsterdam, maar eerst nog snel even iets kopen voor onderweg. En we gingen een opdracht van Vissie uitvoeren. Want Vissie wilde nog op de foto op Schiphol. En daar zijn we heen gereisd…

De trein was leeg. Althans, zo leek het. De conducteur kwam langs. Vissie zag ‘m en wilde met hem op de foto, maar de conducteur was erg verlegen. Hij wilde niet. Absoluut niet. Jammer. Ook niet enkele snoepjes. Gelukkig zei hij niets van het feit dat we in een stiltecoupe zaten en dat wij meer lawaai maakten dan wie dan ook in de trein. Toffe peer!

Aangekomen op Schiphol liepen we een rondje. En nog één. De eerste bewaker lette al op ons. Op het platform snel Vissie geholpen, want de bewakers bleven komen. Klik.

Daar zagen we ook een koe. Verrassing Vissie!

Nog een rondje gelopen en de bewakers kwamen nu al met z’n tweeën langs ons lopen. Vissie spotte ze het eerst. We verstopten ons achter een pilaar en lachten maar door. Rond een uur of zes zijn we gaan kijken naar een restaurantje op Schiphol. Eettentje binnen, kijken op het menu, en er weer uit. Niet lekker, geen zin in friet…

Drie bewakers kwamen er aan gelopen en Vissie vertelde ons de handen voor de ogen te doen. Zagen wij hen niet, konden ze ons ook niet zien, klonk zijn logische reden. Dus wij deden de handen voor de ogen en zagen hen niet.

De bewakers, ik weet niet of ze ons zagen, leken door te lopen. Wij snel naar de andere kant van de vertrekhal gelopen, maar daar liepen ook al bewakers. Bij de incheckbalies waren ze ook al. Wij toch maar snel weer naar de treinen.

Utrecht Centraal, stond op één van de treinen die snel zou vertrekken. Snel! De bewaking spotte ons alweer. Dus we renden de trein in die al vertrok. Snel in een eersteklas hokje gekropen en zwaaien naar de bewakers. Zelfs Vissie zwaaide. Lachen!

In Utrecht zat een Chinees Wokrestaurantje. Gegeten, en nog even bij Starbucks een kopje koffie gehaald. Lekker. Mmm. Een Caffé Mocha en een Latte Macchiato Caramel… mmm…

Starbucks is en blijft één van de lekkerste koffiewinkels in Nederland. Ook al is het een Amerikaanse keten, toch is het geweldig lekker. Ik kan niet wachten tot ze ook in Assen of Groningen komen. Tel mij maar bij voorbaat als vaste klant. Het is gewoon enorm lekker!!!

Vervolgens de trein weer in. Vissie werd moe. Het was ook al acht uur. Dus de eerste trein genomen in de richting van het noorden. Amersfoort… IJsjestijd! Vissie wilde geen ijsje. Flauw hè?

Na Amersfoort weer de trein in naar Zwolle. Daar wilde Vissie weer naar huis. Cynthia ook. Maar eerst de meest racistische opmerking van de dag. We zaten in een (trouwens erg volle) eersteklas stiltecoupe waar vier Chinezen (of Japanners, Koreanen of Vietnamezen) langs ons liepen en een man achter ons zei: (ECHT WAAR, DIT VERZIN IK DUS NIET)

‘Sambal bij?’

En ik maar denken dat wij al erg melig waren… Er zitten me toch asociale mensen in de eerste klas. Echt het ‘plebs’ van Nederland. Losers!

In Zwolle lekker gewacht op een bus voor Vissie en Cynthia, en toen zelf ook weer de trein ingestapt voor het laatste stukje naar Assen.

Dit was de meeste hilarische, melige en drukke dag van deze vakantie tot dusver. Maar tegelijkertijd ook de meest serieuze gesprekken gevoerd, want Vissie was wel een filosoofje in de dop. En natuurlijk weet hij alles te rationaliseren. Alles is vier.

Kom maar met een willekeurig woord en ik zal je bewijzen dat het vier is. Vissie leerde me dat. Alle antwoorden zijn toch vier. Waarom moeilijk doen…?

Nog twee speciale boodschapjes:

- Vissie, jij bent geweldig!

- Als je aan Vissie komt, kom je aan mij!

Foto's op hyves. Enkelen op : http://dailybooth.com/MartijnB0s

Reageer voor meer foto's