Elk jaar gebeurt het me een paar keer, vooral in de herfst. Ik krijg last van een enkel pluisje op de grond van de kamer. Dat ene pluisje dat er - laten we heel eerlijk zijn - waarschijnlijk al enkele weken ligt, irriteert me mateloos. Het ligt daar maar niets te doen en het is gewoon een stoorzender. Mijn ogen worden automatisch er naar toe getrokken, alsof het een magneet is.
In het begin ontken ik het bestaan ervan, ik laat het liggen en doet net alsof het er niet is. Elke ochtend voor werktijd loop ik erlangs, mijn ogen gewoon de andere kant op. Soms lukt dat. Meestal wind ik me nog meer op over het feit dat het daar ligt. ’s Avonds precies hetzelfde.
Ik kan er ook niets aan doen! Ik heb het daar niet geplant. Iemand anders zal het daar wel hebben neergelegd, ik niet. Het is niet van mij, dus laat ik het liggen. ’t Zal wel door m’n broertje achteloos zijn weggegooid, niet wetend dat hij er anderen mee zal irriteren. Maar dat gebeurt dus wel.
Zo ging het twee weken. Twee hele weken heb ik het ‘zijn’ van het pluisje door de vingers gezien. Gedaan alsof het niets was, alsof het niet bestond. Totdat ik zag dat het pluisje een paar vriendjes op bezoek had. Het was er nu niet één meer, nee, het waren er al vier!
Vier hele pluisjes! Ik heb ze geteld!
Mijn vuisten vormen zich tot ballen en ik voel de woede mijn lichaam overnemen. Door mijn hoofd schieten talloze maatregelen, de één nog rigoureuzer dan de ander. De meeste bevatten op z’n minst een ‘Deze actie is niet geschikt voor kinderen onder de twaalf jaar’-stempel. En die van geweld. En - alhoewel ik dit nooit zal toelaten - ook één van grof taalgebruik. En mogelijk het discriminatie-stempel ook. Want hij is klein, en ik ben enorm. En met mijn woede tel ik voor twee.
Eén van de aders op mijn voorhoofd voel ik gewoon kloppen. Klop-klop, klop-klop…Mijn adem gaat vooral door mijn neus, mijn lippen zijn op elkaar geklemd en vormen één lijn. ‘No more mister Nice-guy’, vanaf nu is het afgelopen. Geen gezeur, ze gaan eraan! Hou de brandblussers maar gereed, schrik niet van al het lawaai en - bovenal - bel geen 112.
Opeens gaat de deur open. Een gemompeld ‘hoi’ verslapt mijn furie tijdelijk. Mijn broertje wandelt binnen. Hij heeft net gevoetbald en gooit zijn sporttas op de grond. Precies op de plek waar de pluisjes zaten! Magnifiek! In één keer heeft hij het probleem verduisterd! Mijn woede daalt, mijn ademhaling gaat weer rustiger en mijn vuisten beginnen weer op handen te lijken. Eindelijk. Probleem opgelost. Toch?
Dat dacht ik. Totdat mijn broertje de tas weer weghaalde en er nu geen vier, maar vijf pluisjes lagen. Vijf! Vijf van die verschrikkelijk irritante pluisjes. Niet één, niet twee, ook geen drie of vier, maar vijf! VIJF!
Op een zo vriendelijk mogelijke toon - lees: snauwend en bits - vraag ik hem om de pluisjes even op te ruimen. Hij kijkt me aan, kijkt naar de pluisjes, kijkt me weer aan en zegt dan: ‘Oké.’
Diep van binnen zucht ik van opluchting. Eindelijk, het probleem is opgelost.
Hij lijkt te gaan bukken maar besluit op het laatste moment iets anders te doen. Hij schopt de pluisjes weg. ‘Zo,’ zegt hij, ‘nu liggen ze daar niet meer. Ik ben boven!’
Hij heeft gelijk. De pluisjes liggen niet meer op de plek. Nu liggen er vijf pluisjes op vijf verschillende plekken, overal verspreid door de kamer. Ik kan weer van voor af aan gaan beginnen.
---
Op dit moment gaat - of is al gegaan - er een gedachte door je hoofd die zegt, roept of zelfs schreeuwt: ‘Martijn, ruim dat ding gewoon op. Dan ben je klaar! Dan erger je je niet meer aan een pluisje.’ Of misschien zelfs wel de gedachte: ‘Doe niet zo moeilijk. Je druk maken over pluisjes? Je bent gek!’
En als klap op de vuurpijl hoor ik: ‘Wow Martijn, heb jij OCD?’ (met als stille achtervolger: ‘ik ook.’)
Die vragen van jullie zal ik straks wel beantwoorden. Ook als je andere vragen hebt, reageer gewoon en ik beantwoord. Maar laat me nu gewoon even het verhaal afmaken. Oké?
---
Op dat moment - jeweetwel, toen de pluisjes zich verspreid hadden - kon ik twee dingen doen. Heel erg boos worden, mijn broertje compleet martelen en het uitschreeuwen van woede of rustig blijven.
Ik koos voor het laatste. Ik bleef rustig, zong voor mezelf het liedje wat Bassie altijd zong in dit soort situaties en sloot mijn ogen. Toen ik, drie minuten later, gekalmeerd was, had ik genoeg durf en energie opgedaan om op te staan, de pluisjes te laten liggen en de deur open te zetten. Frisse lucht doet toch wat met je.
Het kalmeert en de koelte verfrist je ook. Het geeft je nieuwe kracht om na te denken, dingen vanuit andere perspectieven te bekijken en dus ook tot andere oplossingen te komen. Vaak, als ik in een impasse zit, ga ik even een stukje lopen. Het liefst in het bos, maar soms ook gewoon een blokje om. De lucht helpt me alles te ordenen en te overzien. Probeer het zelf maar eens. En mocht het niet lukken, loop dan eens een stukje met mij mee. Problemen hebben een neiging om zichzelf (een beetje) uit de knoop te helpen als je ze hardop uitspreekt. En twee weten meer dan één.
Toen ik dus buiten stond kreeg ik in een ingeving. Ik liet de deur wagenwijd openstaan en liep naar binnen, bukte bij alle pluisjes en pakte ze op. Voorzichtig - want anders waaien ze alsnog uit mijn hand - liep ik naar de container en gooide ze daar in weg. Opgeruimd staat netjes, dacht ik. Maar toen zag ik het.
Door de lucht zweefden allerlei kleine witte pluisjes, afkomstig van een hoge boom. En aangezien hoge bomen veel wind vangen, vlogen de pluisjes alle kanten op. Waaronder naar huis, waar de deur open stond en als een mond de pluisjes naar binnen probeerde te lokken. Ik sloot mijn ogen, haalde diep adem en liep naar binnen.
De pas gevallen pluisjes pak ik ook op en gooi ik in de vuilniszak. Opgeruimd staat netjes.
Je kan, ook al voel je je zo machteloos, altijd iets doen. Begin simpel. Stap voor stap. Zelfs de grootste problemen kunnen worden aangepakt. Vecht er niet tegen, accepteer en omhels het. En begin dan met opruimen. Boos worden helpt toch niet.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten