Tja, op deze manier kun je een heleboel beginnen, nietwaar? Toch wil ik eens lekker ‘ouderwets’ terug kijken naar vroegâh. Want toen was toch alles beter? Of is het gewoon mijn naïviteit die aangeeft dat toen alles beter was… Hoe dan ook:
Toen ik nog klein was…
…was mijn opa de koster van onze kerk. Een mooie, grote kerk waar ik graag in ronddwaalde. Helaas mocht dat niet altijd. Meestal moest ik in de kosterswoning - waar mijn grootouders woonden in die tijd - blijven, maar de deur naar de kerk was eigenlijk nooit op slot. Tenminste niet voor degene die wist waar de sleutel was. Niet voor mij dus.
Enkele malen in het jaar logeerde ik bij mijn opa en oma. Dat was vaak erg gezellig. Spelletjes werden uit de kast gehaald - echte ouderwetse spellen als sjoelen - en er werd ’s avonds laat warme chocolademelk gemaakt, met heerlijke slagroom. Dat was geweldig!
’s Nachts sliep ik niet veel, er waren veel te veel geluiden die ik niet kende en, als gevolg daarvan, deed ik dus geen oog dicht. Maar dat deerde mij niet, de volgende dag was ik net zo druk - als het al niet drukker was - en deed weer een heleboel leuke dingen.
Vaak overnachtte ik maar één nacht bij mijn grootouders. Dat was voor hen erg leuk - een kleinkind op bezoek is vaak reden tot een klein feest, nietwaar - en voor mij ook. Ik kon namelijk de kerk in. Op zoek naar de plek die mij het meest intrigeerde…
Ik hoorde laatst een leuke anekdote van een collega van mij, een kleuterjuf, over een gesprek dat zij had met een groepje leerlingen. Ze hadden het over de kerk. (En ja, dat past weer mooi bij dit stukje) Eén van haar leerlingen vroeg haar waar God woonde. Ze speelde de vraag door naar de andere leerlingen en die gaven het - overduidelijke - antwoord dat God in de hemel woonde. De jongen knikte begrijpend, maar er zat hem iets dwars, dat zag de juf meteen. Dus, even later, vroeg ze de jongen even te wachten. ‘Waar denk jij dan dat de Here God woont?’ vroeg ze hem. ‘Nou,’ begint hij, ‘de dominee wijst altijd naar boven. En boven hem is het orgel! Is dat dan de hemel?’
Lang leve kinderen. Je krijgt de meest leuke gesprekken met hen, zoals het bovenstaande voorbeeld al laat merken. Maar laat ik eens terug gaan naar het verhaal. Daar begon alles immers mee. En dat verhaal is nog niet af.
Toen ik dus nog klein was…
… logeerde ik af en toe bij mijn opa en oma. Eén keer, toen ik ongeveer acht jaar oud was, vroeg oma mij of ik even naar opa wilde gaan. Zij moest een boodschap doen en opa was in de kerk, en ik mocht schijnbaar niet alleen in het huis zijn. Dus ik naar opa toe.
‘Opa, opa!’ kwam ik aangerend. ‘Kan ik u helpen?’ Hij keek me aan en gaf me daarna een theedoek. Ik mocht afdrogen. Nu vond ik dat - in die tijd - geen probleem. Ik begon kopjes af te drogen en zag dat voor elk kopje wat ik afdroogde, mijn grootvader er weer drie in de plaats zette. Ik probeerde sneller en sneller te gaan, maar mijn opa was nog sneller. Toen er zo’n dertig kopjes stonden pakte ook hij een droogdoek. Gelukkig maar. (ja, hij begon met mijn afgedroogde kopjes nogmaals te af te drogen… flauw hè)
Toen we daarmee klaar waren ging hij de kerkzaal dweilen. Ik liep een beetje rond en mijn voeten brachten me al gauw naar boven, naar de meest mooie plek voor een kind in de kerk. Ik zeg meest mooi, ik bedoel natuurlijk de meest interessante, spannende en intrigerende plek van de kerk. De plek die je elke zondag zag, vanwaar veel kwam, maar wat daar precies gebeurde…
Mijn ouders zijn vroege vogels. Nu dat ik dat gezegd heb, moet ik dat ook even uitleggen. Elke zondag begon, en begint, de kerkdienst om half tien. Mijn ouders waren dat soort mensen die om stipt negen uur van huis vertrokken om dan een vijftal minuten later al in de kerk te zitten. Tussen alle bejaarde mensen zaten mijn ouders en hun kinderen, ik dus ook, al te wachten. Alsof er anders geen plek meer was. In een kerk met zo’n twaalfhonderd plekken.
We zaten vaak boven, met recht voor ons de preekstoel maar, nog belangrijker, daarboven het orgel. En dan hebben we een organist die geweldig speelt. Niet goed, niet redelijk goed, maar echt geweldig! Hij speelt het ene melodietje en daartussen gooit hij nog even drie andere liedjes, alsof het niets is. Ik heb, in diezelfde kerk, Martin Mans en Jan Vayne horen spelen, op datzelfde orgel, maar hij is echt, voor mij, van dezelfde klasse. Magnifiek.
Mmm. Ik dwaal weer af. Of dat helemaal de bedoeling is… Ik zal weer verder gaan. Het verhaal moet toch een keer af zijn…
Dus… toen ik nog klein was…
… liep ik door de kerk mijn voeten achterna. Dat klinkt gek, maar zonder het te weten stond ik boven bij de ingang van het orgel. De plek, waardoor ik toentertijd zo gebiologeerd werd, lag aan mijn voeten. Ik hoefde alleen nog maar het deurtje te openen. Langzaam opende ik dat deurtje.
Ik gaf mijn ogen goed de kost. Ik liep achter het orgel langs en staarde met open mond naar de grote ijzeren pijpen die het orgel rijk was. Aarzelend liep ik verder. De tweede deur, die naar de toetsen leidde, zat me te lokken. Het zat op een kiertje en het leek wel alsof de wind me lokte, want een kleine windvlaag opende de deur nog verder. Mijn voeten liepen, terwijl mijn gedachten ze achterna gingen.
Daar stond ik. Ik keek over de kerk uit als de koningin op haar balkon naar de menigte keek. Niet dat ik zwaaide ofzo, zo gek was ik ook weer niet, alhoewel de gedachte daaraan wel weer bij mij past. Misschien zwaaide ik ook wel, ik weet het niet.
Toen ik een kwartslag draaide zag ik daar de toetsen en de pedalen van het orgel. Drie rijen toetsen boven elkaar en een lange rij pedalen op de vloer. Ik stond met open mond te kijken. Thuis hadden we een klein orgeltje, met een rij toetsen en enkele pedalen. Dat vond ik al groot. Maar dit, dit was enorm.
Zoals ik al zei hadden we thuis toen ook een orgeltje. Mijn zus speelde daarop en leerde mij ook af en toe enkele liedjes. Ik kon toen, en daar was ik erg trots op, het Wilhelmus spelen. Niet goed, niet snel, en fouten maakte ik waarschijnlijk om de noot, maar toch. Als zij me hielp, speelde ik het Wilhelmus.
Trouwens, ook al vond ik dat orgeltje soms best leuk, ik ben ook een keer van het krukje afgevallen. Nu denk je misschien ‘ach, da’s niet zo erg’, maar dat was het wel. Mijn kin viel op de toetsen, waardoor mijn tong… ach, dat idee zie je vast wel voor je… en daarnaast landde ik met mijn hoofd op één van de pedalen, waardoor ik ook nog eens een enorme bult op mijn achterhoofd kreeg. Niet één van de fijnste dagen.
Van uitstel komt afstel, zeggen ze. En ook al schrijf ik dit allemaal in één keer op (ja, ik neem anderhalf uur van mijn tijd om dit verhaal op te schrijven) toch merk ik, net als jullie, dat ik het niet 100% afmaak. Dus nu het finaledeel, het klapstuk, het kersje op de taart, het puntje op de i…
Toen dus…
… ging ik zitten op de kruk. Mijn voeten konden niet bij de pedalen. Ik zal op het puntje van de kruk, maar nog steeds reikten mijn voeten niet tot de pedalen. Dan maar zonder.
Ik keek goed naar de toetsen en zocht die ene speciale toets, die toets waarmee het Wilhelmus begon. Het was verwarrend, want de toetsen waren niet zwart wit. Ze waren meer bruin grijs. Maar al snel had ik door dat de bruine toetsen de witte waren, en de grijze waren de zwarte.
Ik legde mijn vinger op de eerste toets. Niet om de toets in te duwen, maar dat gebeurde toch. Mijn onbewuste speelde. Een toon schalde door de kerk, en mijn ogen zochten de tweede toets. Dat was drie noten daarnaast. En ook die duwde ik in. Het geluid ging maar door. In mijn achterhoofd hoorde ik mijn opa roepen. Maar daar was ik niet mee bezig.
Ik zocht de volgende noot, en vond ‘m. Ik speelde het Wilhelmus, in de kerk! Toen ik bij de achtste noot was hoorde ik naast mijn aarzelend spelen een andere toon. Ik zocht waar het vandaan kwam, maar achter mij was de organist opgedoken. Hij reikte zijn armen naast de mijne en speelde met mij mee!
Terwijl ik, op mijn tempo, het Wilhelmus speelde, speelde hij er omheen. Een baspartij, die mij begeleidde. Ik ging door en pakte bijna de verkeerde noot toen hij mijn vinger een noot opzij legde. Hij speelde met mij. Nog steeds vind ik het hard te geloven.
Nadat we samen één couplet hadden gespeeld keek hij me bewonderend aan. En ik hem ook. Samen hadden we dat toch even gedaan!
Dat was cool. Dat was echt enorm gaaf. Het is niet dat hij zei: ‘Ga toch weg! Dit is mijn plek.’ Hij hielp me.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten