woensdag 20 oktober 2010

Om succes te hebben, moet je falen

Vandaag wil ik eens beginnen met een vraag. Dat is iets wat ik niet vaak doe, maar op deze manier wil ik jullie ook eens - figuurlijk dan - wakker schudden.

Wat betekent het als je niet faalt?

De meeste mensen antwoorden wanneer ze deze vraag voorgeschoteld krijgen, met het volgende antwoord: ‘Niet falen betekent succes hebben.’

Succes. Dus als je dat goed begrijpt lijkt het wel alsof falen en succes antoniemen zijn geworden, tegengestelde dingen die hoe dan ook niet hetzelfde kunnen zijn. Twee aparte begrippen, met een kleine link doordat ze elkaars uitersten zijn.
Dit is absoluut niet het geval. Het is namelijk zo dat de twee woorden op dezelfde weg staan. Ze hebben meer met elkaar gemeen dan je zou denken.
Ook al lijkt het dat falen en succes echt de tegenpolen van elkaar zijn, ik wil eens een andere zienswijze hieraan toevoegen. Out of the box, denk maar eens mee.

Het tegengestelde van niet falen is, gek genoeg, falen. Het lijkt belachelijk, het klinkt absurd dat als je dus niet faalt, dat je faalt. Maar lees maar door, ik zal dit proberen uit te leggen.

Ons leven kun je zien als een trip. Niet zo eentje waar je ‘speciale medicijnen’ voor moet hebben, alhoewel dat wel kan, maar een gewone tocht. Een lange reis waar we dingen leren door te doen en door risico’s te nemen. We proberen de beste persoon te zijn die we kunnen zijn. Maar elke keer dat we stoppen met het nemen van risico’s en weglopen bij mogelijke faal- en baalmomenten, stoppen we met groeien en missen we de dingen die ‘zouden kunnen zijn’. We houden, door weg te blijven van missers, onze persoonlijke groei tegen.

De enige manier voor jou en mij om te komen waar we willen komen, waar we willen zijn en wat we willen bereiken is door te falen. Door dingen verkeerd te doen, te mislukken en fouten te maken. Door het falen kunnen we leren van die fouten die we gemaakt hebben.
Je zou dus kunnen zeggen dat elke keer dat je faalt, je een stap dichter bij het succes bent gekomen. Zonder falen is er geen succes.

Ik zeg dat om je te troosten. Je hoeft niet angstig te zijn om te falen. Integendeel, als je op een plek bent waar je al een tijdje niet gefaald hebt en jezelf niet in zo’n situatie geplaatst hebt, zou je dat eens moeten doen. Haal jezelf uit de veilige zone en probeer wat nieuws.
We moeten leren dat falen net zo goed deel van ons leven is als, laat ik een voorbeeld geven, het sterven of belastingen betalen; Het zal nooit verdwijnen en, nog belangrijker dan de dood of de belastingen, we kunnen een heleboel leren - en dus groeien in het leven - als we leren wat falen is.

Om succes te hebben, zal je moeten falen. Omhels dit idee en leer om blij te zijn de volgende keer dat je faalt. Geniet van je fouten.

---

Tja. Dit zeg ik dan. Het klinkt allemaal zo mooi. Geniet van je fouten. Wees niet bang om iets fout te doen. Iedereen die me kent die zal nu denken, zeggen of zelfs van de daken schreeuwen dat dit niet bij mij past. Het hoort niet bij mij.
En gelijk hebben ze. Ik mocht willen dat ik blij kon zijn met fouten die ik maak. Het is echter het tegengestelde. Ik word boos, onrustig en soms lichtelijk depressief door fouten.
Maar, lichtpuntje in de duisternis, er is één ding wat ik geleerd heb door mijn fouten: Ik kom er altijd sterker uit.
Ook al duurt het een tijdje. I’m back! 

woensdag 6 oktober 2010

Een neurotisch pluisje

Elk jaar gebeurt het me een paar keer, vooral in de herfst. Ik krijg last van een enkel pluisje op de grond van de kamer. Dat ene pluisje dat er - laten we heel eerlijk zijn - waarschijnlijk al enkele weken ligt, irriteert me mateloos. Het ligt daar maar niets te doen en het is gewoon een stoorzender. Mijn ogen worden automatisch er naar toe getrokken, alsof het een magneet is.

In het begin ontken ik het bestaan ervan, ik laat het liggen en doet net alsof het er niet is. Elke ochtend voor werktijd loop ik erlangs, mijn ogen gewoon de andere kant op. Soms lukt dat. Meestal wind ik me nog meer op over het feit dat het daar ligt. ’s Avonds precies hetzelfde.

Ik kan er ook niets aan doen! Ik heb het daar niet geplant. Iemand anders zal het daar wel hebben neergelegd, ik niet. Het is niet van mij, dus laat ik het liggen. ’t Zal wel door m’n broertje achteloos zijn weggegooid, niet wetend dat hij er anderen mee zal irriteren. Maar dat gebeurt dus wel.

Zo ging het twee weken. Twee hele weken heb ik het ‘zijn’ van het pluisje door de vingers gezien. Gedaan alsof het niets was, alsof het niet bestond. Totdat ik zag dat het pluisje een paar vriendjes op bezoek had. Het was er nu niet één meer, nee, het waren er al vier!
Vier hele pluisjes! Ik heb ze geteld!

Mijn vuisten vormen zich tot ballen en ik voel de woede mijn lichaam overnemen. Door mijn hoofd schieten talloze maatregelen, de één nog rigoureuzer dan de ander. De meeste bevatten op z’n minst een ‘Deze actie is niet geschikt voor kinderen onder de twaalf jaar’-stempel. En die van geweld. En - alhoewel ik dit nooit zal toelaten - ook één van grof taalgebruik. En mogelijk het discriminatie-stempel ook. Want hij is klein, en ik ben enorm. En met mijn woede tel ik voor twee.

Eén van de aders op mijn voorhoofd voel ik gewoon kloppen. Klop-klop, klop-klop…Mijn adem gaat vooral door mijn neus, mijn lippen zijn op elkaar geklemd en vormen één lijn. ‘No more mister Nice-guy’, vanaf nu is het afgelopen. Geen gezeur, ze gaan eraan! Hou de brandblussers maar gereed, schrik niet van al het lawaai en - bovenal - bel geen 112.

Opeens gaat de deur open. Een gemompeld ‘hoi’ verslapt mijn furie tijdelijk. Mijn broertje wandelt binnen. Hij heeft net gevoetbald en gooit zijn sporttas op de grond. Precies op de plek waar de pluisjes zaten! Magnifiek! In één keer heeft hij het probleem verduisterd! Mijn woede daalt, mijn ademhaling gaat weer rustiger en mijn vuisten beginnen weer op handen te lijken. Eindelijk. Probleem opgelost. Toch?

Dat dacht ik. Totdat mijn broertje de tas weer weghaalde en er nu geen vier, maar vijf pluisjes lagen. Vijf! Vijf van die verschrikkelijk irritante pluisjes. Niet één, niet twee, ook geen drie of vier, maar vijf! VIJF!
Op een zo vriendelijk mogelijke toon - lees: snauwend en bits - vraag ik hem om de pluisjes even op te ruimen. Hij kijkt me aan, kijkt naar de pluisjes, kijkt me weer aan en zegt dan: ‘Oké.’
Diep van binnen zucht ik van opluchting. Eindelijk, het probleem is opgelost.

Hij lijkt te gaan bukken maar besluit op het laatste moment iets anders te doen. Hij schopt de pluisjes weg. ‘Zo,’ zegt hij, ‘nu liggen ze daar niet meer. Ik ben boven!’
Hij heeft gelijk. De pluisjes liggen niet meer op de plek. Nu liggen er vijf pluisjes op vijf verschillende plekken, overal verspreid door de kamer. Ik kan weer van voor af aan gaan beginnen.

---

Op dit moment gaat - of is al gegaan - er een gedachte door je hoofd die zegt, roept of zelfs schreeuwt: ‘Martijn, ruim dat ding gewoon op. Dan ben je klaar! Dan erger je je niet meer aan een pluisje.’ Of misschien zelfs wel de gedachte: ‘Doe niet zo moeilijk. Je druk maken over pluisjes? Je bent gek!’
En als klap op de vuurpijl hoor ik: ‘Wow Martijn, heb jij OCD?’ (met als stille achtervolger: ‘ik ook.’)

Die vragen van jullie zal ik straks wel beantwoorden. Ook als je andere vragen hebt, reageer gewoon en ik beantwoord. Maar laat me nu gewoon even het verhaal afmaken. Oké?

---

Op dat moment - jeweetwel, toen de pluisjes zich verspreid hadden - kon ik twee dingen doen. Heel erg boos worden, mijn broertje compleet martelen en het uitschreeuwen van woede of rustig blijven.
Ik koos voor het laatste. Ik bleef rustig, zong voor mezelf het liedje wat Bassie altijd zong in dit soort situaties en sloot mijn ogen. Toen ik, drie minuten later, gekalmeerd was, had ik genoeg durf en energie opgedaan om op te staan, de pluisjes te laten liggen en de deur open te zetten. Frisse lucht doet toch wat met je.

Het kalmeert en de koelte verfrist je ook. Het geeft je nieuwe kracht om na te denken, dingen vanuit andere perspectieven te bekijken en dus ook tot andere oplossingen te komen. Vaak, als ik in een impasse zit, ga ik even een stukje lopen. Het liefst in het bos, maar soms ook gewoon een blokje om. De lucht helpt me alles te ordenen en te overzien. Probeer het zelf maar eens. En mocht het niet lukken, loop dan eens een stukje met mij mee. Problemen hebben een neiging om zichzelf (een beetje) uit de knoop te helpen als je ze hardop uitspreekt. En twee weten meer dan één.

Toen ik dus buiten stond kreeg ik in een ingeving. Ik liet de deur wagenwijd openstaan en liep naar binnen, bukte bij alle pluisjes en pakte ze op. Voorzichtig - want anders waaien ze alsnog uit mijn hand - liep ik naar de container en gooide ze daar in weg. Opgeruimd staat netjes, dacht ik. Maar toen zag ik het.

Door de lucht zweefden allerlei kleine witte pluisjes, afkomstig van een hoge boom. En aangezien hoge bomen veel wind vangen, vlogen de pluisjes alle kanten op. Waaronder naar huis, waar de deur open stond en als een mond de pluisjes naar binnen probeerde te lokken. Ik sloot mijn ogen, haalde diep adem en liep naar binnen.
De pas gevallen pluisjes pak ik ook op en gooi ik in de vuilniszak. Opgeruimd staat netjes.

Je kan, ook al voel je je zo machteloos, altijd iets doen. Begin simpel. Stap voor stap. Zelfs de grootste problemen kunnen worden aangepakt. Vecht er niet tegen, accepteer en omhels het. En begin dan met opruimen. Boos worden helpt toch niet.