Om de zoveel tijd zal ik de wereld laten zien zoals het er voor mij uitziet. Ongenuanceerd, fantasierijk en zonder een blad voor de mond te nemen. Leer ermee te leven om alles op z'n kop te zien.
woensdag 15 september 2010
Ik word altijd wakker met een wijsje in mijn hoofd...
woensdag 8 september 2010
Het leven is (g)een spelletje
donderdag 2 september 2010
De Helpdesk van Ziggo
Als dat zo is, word ik liever behandeld zoals het niet hoort. Want in dat geval betekent 'zoals het hoort' een product aanbieden dat aan alle kanten kraakt en rammelt. Dat product is internet. Of bellen. En het kraakt en rammelt niet eens, het houdt er gewoon mee op. 'Poef!' Uit.
Dus een paar keer per maand kruip ik over de grond om tussen snoeren en kamerplanten stekkers van kastjes in en uit het stopcontact te doen. Na ongeveer een uur begin ik tegen de kastjes te schreeuwen: "Aaah! Je lampjes branden! Je zou het moeten doen!" En dat is het moment waarop ik besluit de helpdesk te bellen.
Alle mensen die die helpdesk bellen hebben hetzelfde traject doorlopen als ik. Kruipen, stekkers, schreeuwen. Al die mensen zitten op het hoogtepunt van emotionele instabiliteit. Dus wat doet Ziggo? Die zette het helpdesk-kantoor vol met trage, mompelende studenten zonder tactiek maar mét een onverstaanbaar dialect. Zo'n student brabbelde dan:
"Oe moet die sjtekker er outhalen ennem er na faif minoete wier indoen."
Of:
"'t zel wel 'n stoaring weez'n. Jèè, inderdèèd, 'n stoaring. Hoe lang of 't duurt? Pffffff...Dát kan'k niet zien hoar."
En uiteindelijk verkeerde je na het bellen met de helpdesk in een nog veel uitzichtlozere situatie dan ervoor. Maar vandaag was alles anders. Ziggo heeft er ècht werk van gemaakt. Het traject van kruipen, stekkers en schreeuwen was hetzelfde.
Maar toen ik de helpdesk belde kreeg ik iemand aan de telefoon die met warme stem níets over stekkers zei. Die me niet op de zenuwen werkte, maar me gewoon vertelde dat er een storing was. Ze zei niet "we wisten het al" maar "Er wordt aan gewerkt".
Ik zag levensechte monteurs in overalls voor me, met een gereedschapskist. Dat was me nog nooit overkomen tijdens het bellen met de helpdesk. En toen ik zei dat ik internet nú nodig had, antwoordde zij dat er ook internetaanbieders zijn die een storing wél binnen 24 uur verhelpen, "maar die zijn vaak drie keer zo duur."
Het was vast de manier waarop ze het zei waardoor ik dacht: "Inderdaad. Had ik maar een duur internetabonnement moeten nemen. Die storing is mijn eigen schuld."
"Het kan twee dagen duren voor het opgelost is," besloot ze ons gesprek, "maar het is mooi weer, dus misschien kan je iets buiten gaan doen." Kijk, dat is nou zoals het hoort. Niet alleen vertellen wat níet kan, maar ook leuke dingen noemen die wél kunnen. Ik ben nu al benieuwd welke activiteiten ze komende zomer gaat voorstellen.
Of zou er tegen die tijd zelfs nooit mee een storing zijn??
woensdag 25 augustus 2010
De Wereld zien als een Kind
‘Pappa, waait de wind altijd?’ en ‘Waarom is de lucht blauw en het gras groen?’ of ‘Juf, schijnt de zon altijd?’ ‘Waardoor komt het water altijd door de kraan?’ Meerdere vragen waarop ik het antwoord wilde hebben. Mijn nieuwsgierigheid kende geen grenzen.
Als je klein bent is de wereld vol wonderen. Je kunt je overal over verwonderen. Je begrijpt weinig en de dingen die je snapt intrigeren je mateloos. Denk maar eens na: de eerste keer dat je een lampknop vond, heb je deze waarschijnlijk wel tien keer aan en uit gedaan, totdat je vader of moeder zei dat het wel genoeg was.
Ik was echt het straatvoorbeeld van een nieuwsgierige jongen. Overal waar ik kwam zocht ik dingen die ik niet wist. Om daarna het antwoord te zoeken. Schoolreisjes en excursies waren dan ook altijd een feest.
In groep 4 zijn we een keer naar de kinderboerderij geweest. De juf wist me dat twee jaar geleden nog te vertellen. Er was daar een man, een soortement gids, die ons rondleidde en ons dingen vertelde. Hij wist dingen die ik niet wist. Ik heb die man het hemd van het lijf gevraagd. Zelfs totdat het zover kwam dat de juf me even bij haar hield, zodat de man ook andere vragen kon beantwoorden. Diezelfde week ben ik zelf nog een keer teruggegaan naar de kinderboerderij. Ik kon de man helaas niet vinden.
Ik weet ook nog goed dat ik in de zomer, toen ik een jaar of drie was, een tijd lang in het gras heb gelegen en keek naar de wolken. Elke wolk zag er anders uit, geen een was een kopie van een ander. Alles was uniek en bijzonder.
Ook ben ik in groep acht mee geweest op een vogelexcursie. De man wist een heleboel over vogels. Afgelopen jaar kwam ik de man weer tegen op een school waar ik toen lesgaf. Hij kende me niet meer. En dat terwijl ik toch ook hem alle mogelijke en denkbare vragen gesteld heb. En dat echt tot op het bot nieuwsgierig.
Ook van dingen die in het journaal gebeurden wilde ik het fijne weten: een aardbeving in de Filipijnen zorgde ervoor dat ik me interesseerde voor aardbevingen. Na de film Twister gezien te hebben heb ik een boek opgezocht over tornado’s. En nog steeds lees ik de ingrediëntenlijstjes van alle producten die ik eet. En weet vaak ook wat het is.
Laatst las ik ergens een mooie quote van Socrates. Ja, die filosoof die in het oude Griekenland woonde. Hij zei: ‘Ik weet maar één ding zeker, en dat is dat ik niets weet.’
Je kunt in je leven niet alles leren. Dat duurt gewoon te lang. Daar is je leven te kort voor. Maar waarom lijkt het alsof mensen niet eens de moeite nemen om een deel van alles te leren?
Via de computer praat ik regelmatig met mijn zus in India. In theorie kan iedereen dit lezen. Er zijn vertalers en vertaalprogramma’s genoeg. Via Twitter heb ik contact met mensen in Amerika en Australië. Ik schrijf mee met verhalen van mensen in België en Frankrijk. En dat is dan nog dichtbij!
Alles gaat tegenwoordig makkelijk. Heb je honger? Je loopt naar de koelkast, pakt er een broodje bapao uit en stopt ‘m in de magnetron. Een kleine minuut later heb je een lekker broodje, warm en klaar om te nuttigen. En staan we daar bij stil?
Alle dingen die voor ons zo vanzelfsprekend zijn, die we voor gewoon aannemen, zijn dat juist helemaal niet. Onze nieuwsgierigheid lijkt wel uitgezet te zijn. Hoe zou dat komen?
Nu weten we allemaal waar het water vandaan komt als je de kraan aanzet. We snappen hoe elektriciteit werkt – deels op zijn minst – en zijn daar niet meer verbaast over. En dat vind ik erg jammer. Want waarom verbijsteren we ons niet meer over de kleine dingen?
Soms ben ook ik iemand die alle dingen voor normaal aanneemt. Het is ook erg gemakkelijk om te doen. Je loopt rond, doet hier en daar een lichtje aan, drukt op de knop van de waterkoker en wacht tot je ergens kunt gaan zitten met een kopje thee en een koekje.
In de trein kan je ook zo lekker zitten, niet nadenkend over de reis, want je komt wel op de plek van bestemming. Of in de auto, rijdend zonder echt exact te weten wat er nu precies voor zorgt dat je rijdt.
Ik zeg ook niet dat we allemaal altijd bij alles stil moeten staan. Dat we ons moeten afvragen waar nu precies de wind op windstille plekken niet waait en in het open veld juist weer heel hard gaat.
Of – en nu komen de echt grote dingen – waarom er aan de ene kant in Rusland zo droog is dat er bosbranden ontstaan terwijl er aan de andere kant, in Pakistan, China en India overstromingen zijn. Overschot in het ene deel, tekort in het andere deel. Raar, nietwaar?
En nu kun je wel voor sommige dingen met een antwoord komen, maar daar vraag ik helemaal niet om. Het enige wat ik wil, is dat we eens stil staan bij de ´normale´ dingen in het leven. Kijk daar eens tweemaal naar.
Kijkze. Ontdekze. Geniet!
Fijne week.
donderdag 19 augustus 2010
Wie bewaakt de bewaker?
Heb jij dat ook wel eens? Dat je denkt: 'Wat zullen we nu beleven?'
Dat overkwam mij laatst ook. Ik was op de terugweg vanuit Groningen - waar ik een vergadering had - naar de volgende vergadering in Assen. En toen gebeurde het.
Ik wist niet wat me overkwam, zo ineens gebeurde het. Maar de actie die ik ondernam maakt het allemaal nog ongeloofwaardiger. Echt waar!
Ik reed een slordige
Ik reed dus 'vrij snel' toen ik opeens in mijn zijspiegel een rood/wit/blauwe auto aan zag komen rijden. 'Sh!t,' dacht ik, 'heb ik weer...' en mijn rechtervoet schoot omhoog om zo wat snelheid te minderen.
Toen ik net onder de
Ab-so-luut niet!
Met mijn rechtervoet die het gaspedaal de vloer indrukt, schiet mijn autootje vooruit, achter de mooie politiewagen aan die - en dit is het meest belangrijke - geen sirene of zwaailichten aan heeft.
Terwijl ik zo rond de 140km/u rijd en de politiewagen nader, zie ik de politieagent in zijn spiegels kijken. Hij geeft richting aan, veranderd van rijbaan en laat mij er langs. En toen begon het.
Ik ging voor hem rijden, reed weer de toegestane
Samen reden we langs de carpoolplaats, waar ik toch afsla als ik de politiewagen hetzelfde zie doen. Zijn knipperlichten stonden ruim voor de afslag aan, dus deed ik hetzelfde.
Eenmaal op de carpoolplaats stap ik uit mijn wagen en klop op zijn raam.
De man kijkt mij raar aan en drukt op een knopje waardoor het raam naar beneden glijdt. 'Ja?' klinkt er aarzelend uit het raam, in een wat brommerige toon.
Ik zie schuin achter mij een andere politieagent uit een auto stappen, maar dat hinderd me niet. 'Weet u wel hoe hard u reed?' vroeg ik hem.
Je had de blik van de man moeten zien. Verbazing en ongeloof dropen er vanaf.
Stamelend zegt hij: 'Te snel neem ik aan?' Ik knik.
Achteraf is dit wel het meest frappante punt. De man kreeg opdracht om een collega hier op te halen en was wat laat. Zijn collega stapte al in de wagen, hoofdschuddend van het lachen. Hij had het hele verhaal aangehoord en vroeg uiteindelijk: 'En toen heb jij 'm maar aangehouden?'
Ik knik, bloedserieus als ik ben, en zeg: Quis custodiet ipsos custodes?
Uiteindelijk vervolgen we allemaal onze wegen. Maar wie let er nu op mij, als ik op de agenten blijf letten?
woensdag 11 augustus 2010
Toen ik nog klein was…
Tja, op deze manier kun je een heleboel beginnen, nietwaar? Toch wil ik eens lekker ‘ouderwets’ terug kijken naar vroegâh. Want toen was toch alles beter? Of is het gewoon mijn naïviteit die aangeeft dat toen alles beter was… Hoe dan ook:
Toen ik nog klein was…
…was mijn opa de koster van onze kerk. Een mooie, grote kerk waar ik graag in ronddwaalde. Helaas mocht dat niet altijd. Meestal moest ik in de kosterswoning - waar mijn grootouders woonden in die tijd - blijven, maar de deur naar de kerk was eigenlijk nooit op slot. Tenminste niet voor degene die wist waar de sleutel was. Niet voor mij dus.
Enkele malen in het jaar logeerde ik bij mijn opa en oma. Dat was vaak erg gezellig. Spelletjes werden uit de kast gehaald - echte ouderwetse spellen als sjoelen - en er werd ’s avonds laat warme chocolademelk gemaakt, met heerlijke slagroom. Dat was geweldig!
’s Nachts sliep ik niet veel, er waren veel te veel geluiden die ik niet kende en, als gevolg daarvan, deed ik dus geen oog dicht. Maar dat deerde mij niet, de volgende dag was ik net zo druk - als het al niet drukker was - en deed weer een heleboel leuke dingen.
Vaak overnachtte ik maar één nacht bij mijn grootouders. Dat was voor hen erg leuk - een kleinkind op bezoek is vaak reden tot een klein feest, nietwaar - en voor mij ook. Ik kon namelijk de kerk in. Op zoek naar de plek die mij het meest intrigeerde…
Ik hoorde laatst een leuke anekdote van een collega van mij, een kleuterjuf, over een gesprek dat zij had met een groepje leerlingen. Ze hadden het over de kerk. (En ja, dat past weer mooi bij dit stukje) Eén van haar leerlingen vroeg haar waar God woonde. Ze speelde de vraag door naar de andere leerlingen en die gaven het - overduidelijke - antwoord dat God in de hemel woonde. De jongen knikte begrijpend, maar er zat hem iets dwars, dat zag de juf meteen. Dus, even later, vroeg ze de jongen even te wachten. ‘Waar denk jij dan dat de Here God woont?’ vroeg ze hem. ‘Nou,’ begint hij, ‘de dominee wijst altijd naar boven. En boven hem is het orgel! Is dat dan de hemel?’
Lang leve kinderen. Je krijgt de meest leuke gesprekken met hen, zoals het bovenstaande voorbeeld al laat merken. Maar laat ik eens terug gaan naar het verhaal. Daar begon alles immers mee. En dat verhaal is nog niet af.
Toen ik dus nog klein was…
… logeerde ik af en toe bij mijn opa en oma. Eén keer, toen ik ongeveer acht jaar oud was, vroeg oma mij of ik even naar opa wilde gaan. Zij moest een boodschap doen en opa was in de kerk, en ik mocht schijnbaar niet alleen in het huis zijn. Dus ik naar opa toe.
‘Opa, opa!’ kwam ik aangerend. ‘Kan ik u helpen?’ Hij keek me aan en gaf me daarna een theedoek. Ik mocht afdrogen. Nu vond ik dat - in die tijd - geen probleem. Ik begon kopjes af te drogen en zag dat voor elk kopje wat ik afdroogde, mijn grootvader er weer drie in de plaats zette. Ik probeerde sneller en sneller te gaan, maar mijn opa was nog sneller. Toen er zo’n dertig kopjes stonden pakte ook hij een droogdoek. Gelukkig maar. (ja, hij begon met mijn afgedroogde kopjes nogmaals te af te drogen… flauw hè)
Toen we daarmee klaar waren ging hij de kerkzaal dweilen. Ik liep een beetje rond en mijn voeten brachten me al gauw naar boven, naar de meest mooie plek voor een kind in de kerk. Ik zeg meest mooi, ik bedoel natuurlijk de meest interessante, spannende en intrigerende plek van de kerk. De plek die je elke zondag zag, vanwaar veel kwam, maar wat daar precies gebeurde…
Mijn ouders zijn vroege vogels. Nu dat ik dat gezegd heb, moet ik dat ook even uitleggen. Elke zondag begon, en begint, de kerkdienst om half tien. Mijn ouders waren dat soort mensen die om stipt negen uur van huis vertrokken om dan een vijftal minuten later al in de kerk te zitten. Tussen alle bejaarde mensen zaten mijn ouders en hun kinderen, ik dus ook, al te wachten. Alsof er anders geen plek meer was. In een kerk met zo’n twaalfhonderd plekken.
We zaten vaak boven, met recht voor ons de preekstoel maar, nog belangrijker, daarboven het orgel. En dan hebben we een organist die geweldig speelt. Niet goed, niet redelijk goed, maar echt geweldig! Hij speelt het ene melodietje en daartussen gooit hij nog even drie andere liedjes, alsof het niets is. Ik heb, in diezelfde kerk, Martin Mans en Jan Vayne horen spelen, op datzelfde orgel, maar hij is echt, voor mij, van dezelfde klasse. Magnifiek.
Mmm. Ik dwaal weer af. Of dat helemaal de bedoeling is… Ik zal weer verder gaan. Het verhaal moet toch een keer af zijn…
Dus… toen ik nog klein was…
… liep ik door de kerk mijn voeten achterna. Dat klinkt gek, maar zonder het te weten stond ik boven bij de ingang van het orgel. De plek, waardoor ik toentertijd zo gebiologeerd werd, lag aan mijn voeten. Ik hoefde alleen nog maar het deurtje te openen. Langzaam opende ik dat deurtje.
Ik gaf mijn ogen goed de kost. Ik liep achter het orgel langs en staarde met open mond naar de grote ijzeren pijpen die het orgel rijk was. Aarzelend liep ik verder. De tweede deur, die naar de toetsen leidde, zat me te lokken. Het zat op een kiertje en het leek wel alsof de wind me lokte, want een kleine windvlaag opende de deur nog verder. Mijn voeten liepen, terwijl mijn gedachten ze achterna gingen.
Daar stond ik. Ik keek over de kerk uit als de koningin op haar balkon naar de menigte keek. Niet dat ik zwaaide ofzo, zo gek was ik ook weer niet, alhoewel de gedachte daaraan wel weer bij mij past. Misschien zwaaide ik ook wel, ik weet het niet.
Toen ik een kwartslag draaide zag ik daar de toetsen en de pedalen van het orgel. Drie rijen toetsen boven elkaar en een lange rij pedalen op de vloer. Ik stond met open mond te kijken. Thuis hadden we een klein orgeltje, met een rij toetsen en enkele pedalen. Dat vond ik al groot. Maar dit, dit was enorm.
Zoals ik al zei hadden we thuis toen ook een orgeltje. Mijn zus speelde daarop en leerde mij ook af en toe enkele liedjes. Ik kon toen, en daar was ik erg trots op, het Wilhelmus spelen. Niet goed, niet snel, en fouten maakte ik waarschijnlijk om de noot, maar toch. Als zij me hielp, speelde ik het Wilhelmus.
Trouwens, ook al vond ik dat orgeltje soms best leuk, ik ben ook een keer van het krukje afgevallen. Nu denk je misschien ‘ach, da’s niet zo erg’, maar dat was het wel. Mijn kin viel op de toetsen, waardoor mijn tong… ach, dat idee zie je vast wel voor je… en daarnaast landde ik met mijn hoofd op één van de pedalen, waardoor ik ook nog eens een enorme bult op mijn achterhoofd kreeg. Niet één van de fijnste dagen.
Van uitstel komt afstel, zeggen ze. En ook al schrijf ik dit allemaal in één keer op (ja, ik neem anderhalf uur van mijn tijd om dit verhaal op te schrijven) toch merk ik, net als jullie, dat ik het niet 100% afmaak. Dus nu het finaledeel, het klapstuk, het kersje op de taart, het puntje op de i…
Toen dus…
… ging ik zitten op de kruk. Mijn voeten konden niet bij de pedalen. Ik zal op het puntje van de kruk, maar nog steeds reikten mijn voeten niet tot de pedalen. Dan maar zonder.
Ik keek goed naar de toetsen en zocht die ene speciale toets, die toets waarmee het Wilhelmus begon. Het was verwarrend, want de toetsen waren niet zwart wit. Ze waren meer bruin grijs. Maar al snel had ik door dat de bruine toetsen de witte waren, en de grijze waren de zwarte.
Ik legde mijn vinger op de eerste toets. Niet om de toets in te duwen, maar dat gebeurde toch. Mijn onbewuste speelde. Een toon schalde door de kerk, en mijn ogen zochten de tweede toets. Dat was drie noten daarnaast. En ook die duwde ik in. Het geluid ging maar door. In mijn achterhoofd hoorde ik mijn opa roepen. Maar daar was ik niet mee bezig.
Ik zocht de volgende noot, en vond ‘m. Ik speelde het Wilhelmus, in de kerk! Toen ik bij de achtste noot was hoorde ik naast mijn aarzelend spelen een andere toon. Ik zocht waar het vandaan kwam, maar achter mij was de organist opgedoken. Hij reikte zijn armen naast de mijne en speelde met mij mee!
Terwijl ik, op mijn tempo, het Wilhelmus speelde, speelde hij er omheen. Een baspartij, die mij begeleidde. Ik ging door en pakte bijna de verkeerde noot toen hij mijn vinger een noot opzij legde. Hij speelde met mij. Nog steeds vind ik het hard te geloven.
Nadat we samen één couplet hadden gespeeld keek hij me bewonderend aan. En ik hem ook. Samen hadden we dat toch even gedaan!
Dat was cool. Dat was echt enorm gaaf. Het is niet dat hij zei: ‘Ga toch weg! Dit is mijn plek.’ Hij hielp me.
woensdag 4 augustus 2010
De opnemende irritator
Heb je dat ook wel eens? Zit je lekker te luieren, gaat opeens de telefoon. Zo ook regelmatig bij mij. Heel irritant. Lees maar eens.
Op een willekeurige avond terwijl je rustig thuis zit te relaxen gaat de telefoon. 'Hallo meneer,' klinkt er door de telefoon nadat je 'm hebt opgepakt. 'Mag ik u wat vragen?'
Zuchtend omdat je al weet waar je aan begint geef je een positief antwoord, wachtend op de reden van het telefoontje en, nog belangrijker, zoekend naar een manier om in te breken in het gesprek.
'Kijkt u wel eens naar het journaal, meneer?' Ik veer op, een aparte manier om een gesprek te beginnen, zeker aangezien de beller nog niet eens heeft gezegd voor welk bedrijf hij belt. Ik antwoord het eerlijkst met een mooie 'jaaaaaa...' die zich lang uitstrekt om maar eens aan te geven dat dit over het algemeen voor 95% van de mensen geldt. Een soort 'duh'-achtig geluid.
'Dan heeft u vast ook wel eens gehoord over de financiële crisis?' Wederom klinkt er een 'jaaaaa...' van mijn kant van de lijn.
'En ook wel van al die banken die één voor één op de fles gaan?' 'uhuh,' klinkt er van mij, terwijl ik lichtjes me mijn hoofd begin te schudden.
---
HO! Even iets tussendoor: De telefonische verkoper wil me met deze vragen, waar bijna iedereen 'ja' op zal antwoorden, in een ja-stemming brengen. Op deze manier zal ik eerder toezeggen in het eventueel kopen van dingen.
Tegelijkertijd stuurt hij het gesprek met allemaal vragen die mij het gevoel geven dat ik het goed doe, zodat ik positief tegenover hem en zijn product kom te staan.
Psychologie aan de basis van verkopende mensen...
---
'Mag ik u dan vragen bij welke bank u bankiert?' Duidelijk, helder en simpel vraag ik hem bij welke bank hij zit. Lekker deconstructief het gesprek opjutten.
'Dat is niet van belang, meneer,' zegt hij, pogend het gesprek om te draaien.
'Maar waarom is dat van mij wel van belang dan?' riposteer ik.
Je hoort een zucht en dan wat ratelende vingers op een toetsenbord. Duidelijk zoekt hij in het digitale script naar een antwoord. Dan gaat hij verder: 'Ik bankier bij de (...). Maar nu mijn vraag: Waar houdt u uw geld?'
Ik begin rustig uit te leggen: 'Ik heb een mooie portefeuille. Tegelijkertijd heb ik eigenlijk op meerdere plekken wat geld liggen...'
'Maar meneer,' onderbreekt hij mij, 'heeft u geen geld bij een bank?' Het komt er haast geschokt uit.
'Jawel,' antwoord ik, 'maar jij liet me niet uitpraten. Als je dat had gedaan, had je mijn antwoord ook gehoord.' Ik grijns en voel bijna woede door de telefoon heen komen.
'Waarvandaan bel je eigenlijk?' ga ik verder, de jongen van zijn werk houdend.
'Utrecht.' Het komt er wat aarzelend uit, alsof hij in de gaten heeft dat hij bij mij aan het verkeerde adres is. Maar ophangen bij een klant is geheel uit den boze.
'Studeer je?' vraag ik, en nadat hij zegt dat hij dat doet vraag ik hem wat.
'Een studie management en recht.' Ik vraag hem in welk jaar hij zit en, nadat hij het derde jaar noemt, vraag ik hem duidelijk of hij het opbellen van mensen niet ziet als een schending van de privacy van de mensen. Zoals in het wetboek staat.
'Meneer,' zegt hij, 'mijn mening doet er niet toe.' Ik schiet in de lach. Wat een onzin. De verkoper staat nieteens achter zijn manier. 'Dus jij vind dat dit eigenlijk niet kan. Da's toch enigszins apart, nietwaar?'
'Meneer,' antwoord hij, 'dat heb ik helemaal niet aangegeven.'
'Nee,' zeg ik, 'maar jouw ondertoon wel. Daar mag je nog wel eens aan werken.'
'Maar...' begint hij, maar ik onderbreek nu hem.
'Jongen, de reclame is nu afgelopen, dus ik ga ophangen. Nog een fijne avond, ik hoop dat er niet zoveel vervelende mensen aan de lijn hangen en veel plezier met je studie. Doei!'
Een ongelovige 'goedenavond' volgt, waarna ik de telefoon uit druk.