donderdag 19 augustus 2010

Wie bewaakt de bewaker?

Heb jij dat ook wel eens? Dat je denkt: 'Wat zullen we nu beleven?'

Dat overkwam mij laatst ook. Ik was op de terugweg vanuit Groningen - waar ik een vergadering had - naar de volgende vergadering in Assen. En toen gebeurde het.

Ik wist niet wat me overkwam, zo ineens gebeurde het. Maar de actie die ik ondernam maakt het allemaal nog ongeloofwaardiger. Echt waar!

Ik reed een slordige 120 kilometer per uur op de A28 - alhoewel het ook wel eens in de buurt van de 130 kon zijn, of meer - met de muziek keihard aan. Daardoor heb ik de neiging sneller te rijden dan dat er op de Nederlandse snelwegen mag, maar dat geheel terzijde.

Ik reed dus 'vrij snel' toen ik opeens in mijn zijspiegel een rood/wit/blauwe auto aan zag komen rijden. 'Sh!t,' dacht ik, 'heb ik weer...' en mijn rechtervoet schoot omhoog om zo wat snelheid te minderen.

Toen ik net onder de 120 kilometer zat schoot de auto langs mij, mij in een wolk van uitlaatgas achterlatend. En dat liet ik niet over mij heen komen.

Ab-so-luut niet!

Met mijn rechtervoet die het gaspedaal de vloer indrukt, schiet mijn autootje vooruit, achter de mooie politiewagen aan die - en dit is het meest belangrijke - geen sirene of zwaailichten aan heeft.

Terwijl ik zo rond de 140km/u rijd en de politiewagen nader, zie ik de politieagent in zijn spiegels kijken. Hij geeft richting aan, veranderd van rijbaan en laat mij er langs. En toen begon het.

Ik ging voor hem rijden, reed weer de toegestane 120 kilometer per uur en zag hoe de politieauto, net als ik, bij de afrit eraf ging.

Samen reden we langs de carpoolplaats, waar ik toch afsla als ik de politiewagen hetzelfde zie doen. Zijn knipperlichten stonden ruim voor de afslag aan, dus deed ik hetzelfde.

Eenmaal op de carpoolplaats stap ik uit mijn wagen en klop op zijn raam.

De man kijkt mij raar aan en drukt op een knopje waardoor het raam naar beneden glijdt. 'Ja?' klinkt er aarzelend uit het raam, in een wat brommerige toon.

Ik zie schuin achter mij een andere politieagent uit een auto stappen, maar dat hinderd me niet. 'Weet u wel hoe hard u reed?' vroeg ik hem.

Je had de blik van de man moeten zien. Verbazing en ongeloof dropen er vanaf.

Stamelend zegt hij: 'Te snel neem ik aan?' Ik knik.

Achteraf is dit wel het meest frappante punt. De man kreeg opdracht om een collega hier op te halen en was wat laat. Zijn collega stapte al in de wagen, hoofdschuddend van het lachen. Hij had het hele verhaal aangehoord en vroeg uiteindelijk: 'En toen heb jij 'm maar aangehouden?'

Ik knik, bloedserieus als ik ben, en zeg: Quis custodiet ipsos custodes?

Uiteindelijk vervolgen we allemaal onze wegen. Maar wie let er nu op mij, als ik op de agenten blijf letten?

woensdag 11 augustus 2010

Toen ik nog klein was…

Tja, op deze manier kun je een heleboel beginnen, nietwaar? Toch wil ik eens lekker ‘ouderwets’ terug kijken naar vroegâh. Want toen was toch alles beter? Of is het gewoon mijn naïviteit die aangeeft dat toen alles beter was… Hoe dan ook:

Toen ik nog klein was…

…was mijn opa de koster van onze kerk. Een mooie, grote kerk waar ik graag in ronddwaalde. Helaas mocht dat niet altijd. Meestal moest ik in de kosterswoning - waar mijn grootouders woonden in die tijd - blijven, maar de deur naar de kerk was eigenlijk nooit op slot. Tenminste niet voor degene die wist waar de sleutel was. Niet voor mij dus.

Enkele malen in het jaar logeerde ik bij mijn opa en oma. Dat was vaak erg gezellig. Spelletjes werden uit de kast gehaald - echte ouderwetse spellen als sjoelen - en er werd ’s avonds laat warme chocolademelk gemaakt, met heerlijke slagroom. Dat was geweldig!

’s Nachts sliep ik niet veel, er waren veel te veel geluiden die ik niet kende en, als gevolg daarvan, deed ik dus geen oog dicht. Maar dat deerde mij niet, de volgende dag was ik net zo druk - als het al niet drukker was - en deed weer een heleboel leuke dingen.

Vaak overnachtte ik maar één nacht bij mijn grootouders. Dat was voor hen erg leuk - een kleinkind op bezoek is vaak reden tot een klein feest, nietwaar - en voor mij ook. Ik kon namelijk de kerk in. Op zoek naar de plek die mij het meest intrigeerde…

Ik hoorde laatst een leuke anekdote van een collega van mij, een kleuterjuf, over een gesprek dat zij had met een groepje leerlingen. Ze hadden het over de kerk. (En ja, dat past weer mooi bij dit stukje) Eén van haar leerlingen vroeg haar waar God woonde. Ze speelde de vraag door naar de andere leerlingen en die gaven het - overduidelijke - antwoord dat God in de hemel woonde. De jongen knikte begrijpend, maar er zat hem iets dwars, dat zag de juf meteen. Dus, even later, vroeg ze de jongen even te wachten. ‘Waar denk jij dan dat de Here God woont?’ vroeg ze hem. ‘Nou,’ begint hij, ‘de dominee wijst altijd naar boven. En boven hem is het orgel! Is dat dan de hemel?’

Lang leve kinderen. Je krijgt de meest leuke gesprekken met hen, zoals het bovenstaande voorbeeld al laat merken. Maar laat ik eens terug gaan naar het verhaal. Daar begon alles immers mee. En dat verhaal is nog niet af.

Toen ik dus nog klein was…

… logeerde ik af en toe bij mijn opa en oma. Eén keer, toen ik ongeveer acht jaar oud was, vroeg oma mij of ik even naar opa wilde gaan. Zij moest een boodschap doen en opa was in de kerk, en ik mocht schijnbaar niet alleen in het huis zijn. Dus ik naar opa toe.

‘Opa, opa!’ kwam ik aangerend. ‘Kan ik u helpen?’ Hij keek me aan en gaf me daarna een theedoek. Ik mocht afdrogen. Nu vond ik dat - in die tijd - geen probleem. Ik begon kopjes af te drogen en zag dat voor elk kopje wat ik afdroogde, mijn grootvader er weer drie in de plaats zette. Ik probeerde sneller en sneller te gaan, maar mijn opa was nog sneller. Toen er zo’n dertig kopjes stonden pakte ook hij een droogdoek. Gelukkig maar. (ja, hij begon met mijn afgedroogde kopjes nogmaals te af te drogen… flauw hè)

Toen we daarmee klaar waren ging hij de kerkzaal dweilen. Ik liep een beetje rond en mijn voeten brachten me al gauw naar boven, naar de meest mooie plek voor een kind in de kerk. Ik zeg meest mooi, ik bedoel natuurlijk de meest interessante, spannende en intrigerende plek van de kerk. De plek die je elke zondag zag, vanwaar veel kwam, maar wat daar precies gebeurde…

Mijn ouders zijn vroege vogels. Nu dat ik dat gezegd heb, moet ik dat ook even uitleggen. Elke zondag begon, en begint, de kerkdienst om half tien. Mijn ouders waren dat soort mensen die om stipt negen uur van huis vertrokken om dan een vijftal minuten later al in de kerk te zitten. Tussen alle bejaarde mensen zaten mijn ouders en hun kinderen, ik dus ook, al te wachten. Alsof er anders geen plek meer was. In een kerk met zo’n twaalfhonderd plekken.

We zaten vaak boven, met recht voor ons de preekstoel maar, nog belangrijker, daarboven het orgel. En dan hebben we een organist die geweldig speelt. Niet goed, niet redelijk goed, maar echt geweldig! Hij speelt het ene melodietje en daartussen gooit hij nog even drie andere liedjes, alsof het niets is. Ik heb, in diezelfde kerk, Martin Mans en Jan Vayne horen spelen, op datzelfde orgel, maar hij is echt, voor mij, van dezelfde klasse. Magnifiek.

Mmm. Ik dwaal weer af. Of dat helemaal de bedoeling is… Ik zal weer verder gaan. Het verhaal moet toch een keer af zijn…

Dus… toen ik nog klein was…

… liep ik door de kerk mijn voeten achterna. Dat klinkt gek, maar zonder het te weten stond ik boven bij de ingang van het orgel. De plek, waardoor ik toentertijd zo gebiologeerd werd, lag aan mijn voeten. Ik hoefde alleen nog maar het deurtje te openen. Langzaam opende ik dat deurtje.

Ik gaf mijn ogen goed de kost. Ik liep achter het orgel langs en staarde met open mond naar de grote ijzeren pijpen die het orgel rijk was. Aarzelend liep ik verder. De tweede deur, die naar de toetsen leidde, zat me te lokken. Het zat op een kiertje en het leek wel alsof de wind me lokte, want een kleine windvlaag opende de deur nog verder. Mijn voeten liepen, terwijl mijn gedachten ze achterna gingen.

Daar stond ik. Ik keek over de kerk uit als de koningin op haar balkon naar de menigte keek. Niet dat ik zwaaide ofzo, zo gek was ik ook weer niet, alhoewel de gedachte daaraan wel weer bij mij past. Misschien zwaaide ik ook wel, ik weet het niet.

Toen ik een kwartslag draaide zag ik daar de toetsen en de pedalen van het orgel. Drie rijen toetsen boven elkaar en een lange rij pedalen op de vloer. Ik stond met open mond te kijken. Thuis hadden we een klein orgeltje, met een rij toetsen en enkele pedalen. Dat vond ik al groot. Maar dit, dit was enorm.

Zoals ik al zei hadden we thuis toen ook een orgeltje. Mijn zus speelde daarop en leerde mij ook af en toe enkele liedjes. Ik kon toen, en daar was ik erg trots op, het Wilhelmus spelen. Niet goed, niet snel, en fouten maakte ik waarschijnlijk om de noot, maar toch. Als zij me hielp, speelde ik het Wilhelmus.

Trouwens, ook al vond ik dat orgeltje soms best leuk, ik ben ook een keer van het krukje afgevallen. Nu denk je misschien ‘ach, da’s niet zo erg’, maar dat was het wel. Mijn kin viel op de toetsen, waardoor mijn tong… ach, dat idee zie je vast wel voor je… en daarnaast landde ik met mijn hoofd op één van de pedalen, waardoor ik ook nog eens een enorme bult op mijn achterhoofd kreeg. Niet één van de fijnste dagen.

Van uitstel komt afstel, zeggen ze. En ook al schrijf ik dit allemaal in één keer op (ja, ik neem anderhalf uur van mijn tijd om dit verhaal op te schrijven) toch merk ik, net als jullie, dat ik het niet 100% afmaak. Dus nu het finaledeel, het klapstuk, het kersje op de taart, het puntje op de i…

Toen dus…

… ging ik zitten op de kruk. Mijn voeten konden niet bij de pedalen. Ik zal op het puntje van de kruk, maar nog steeds reikten mijn voeten niet tot de pedalen. Dan maar zonder.

Ik keek goed naar de toetsen en zocht die ene speciale toets, die toets waarmee het Wilhelmus begon. Het was verwarrend, want de toetsen waren niet zwart wit. Ze waren meer bruin grijs. Maar al snel had ik door dat de bruine toetsen de witte waren, en de grijze waren de zwarte.

Ik legde mijn vinger op de eerste toets. Niet om de toets in te duwen, maar dat gebeurde toch. Mijn onbewuste speelde. Een toon schalde door de kerk, en mijn ogen zochten de tweede toets. Dat was drie noten daarnaast. En ook die duwde ik in. Het geluid ging maar door. In mijn achterhoofd hoorde ik mijn opa roepen. Maar daar was ik niet mee bezig.

Ik zocht de volgende noot, en vond ‘m. Ik speelde het Wilhelmus, in de kerk! Toen ik bij de achtste noot was hoorde ik naast mijn aarzelend spelen een andere toon. Ik zocht waar het vandaan kwam, maar achter mij was de organist opgedoken. Hij reikte zijn armen naast de mijne en speelde met mij mee!

Terwijl ik, op mijn tempo, het Wilhelmus speelde, speelde hij er omheen. Een baspartij, die mij begeleidde. Ik ging door en pakte bijna de verkeerde noot toen hij mijn vinger een noot opzij legde. Hij speelde met mij. Nog steeds vind ik het hard te geloven.

Nadat we samen één couplet hadden gespeeld keek hij me bewonderend aan. En ik hem ook. Samen hadden we dat toch even gedaan!

Dat was cool. Dat was echt enorm gaaf. Het is niet dat hij zei: ‘Ga toch weg! Dit is mijn plek.’ Hij hielp me.

woensdag 4 augustus 2010

De opnemende irritator

Heb je dat ook wel eens? Zit je lekker te luieren, gaat opeens de telefoon. Zo ook regelmatig bij mij. Heel irritant. Lees maar eens.

Op een willekeurige avond terwijl je rustig thuis zit te relaxen gaat de telefoon. 'Hallo meneer,' klinkt er door de telefoon nadat je 'm hebt opgepakt. 'Mag ik u wat vragen?'

Zuchtend omdat je al weet waar je aan begint geef je een positief antwoord, wachtend op de reden van het telefoontje en, nog belangrijker, zoekend naar een manier om in te breken in het gesprek.

'Kijkt u wel eens naar het journaal, meneer?' Ik veer op, een aparte manier om een gesprek te beginnen, zeker aangezien de beller nog niet eens heeft gezegd voor welk bedrijf hij belt. Ik antwoord het eerlijkst met een mooie 'jaaaaaa...' die zich lang uitstrekt om maar eens aan te geven dat dit over het algemeen voor 95% van de mensen geldt. Een soort 'duh'-achtig geluid.

'Dan heeft u vast ook wel eens gehoord over de financiële crisis?' Wederom klinkt er een 'jaaaaa...' van mijn kant van de lijn.

'En ook wel van al die banken die één voor één op de fles gaan?' 'uhuh,' klinkt er van mij, terwijl ik lichtjes me mijn hoofd begin te schudden.

---

HO! Even iets tussendoor: De telefonische verkoper wil me met deze vragen, waar bijna iedereen 'ja' op zal antwoorden, in een ja-stemming brengen. Op deze manier zal ik eerder toezeggen in het eventueel kopen van dingen.

Tegelijkertijd stuurt hij het gesprek met allemaal vragen die mij het gevoel geven dat ik het goed doe, zodat ik positief tegenover hem en zijn product kom te staan.

Psychologie aan de basis van verkopende mensen...

---

'Mag ik u dan vragen bij welke bank u bankiert?' Duidelijk, helder en simpel vraag ik hem bij welke bank hij zit. Lekker deconstructief het gesprek opjutten.

'Dat is niet van belang, meneer,' zegt hij, pogend het gesprek om te draaien.

'Maar waarom is dat van mij wel van belang dan?' riposteer ik.

Je hoort een zucht en dan wat ratelende vingers op een toetsenbord. Duidelijk zoekt hij in het digitale script naar een antwoord. Dan gaat hij verder: 'Ik bankier bij de (...). Maar nu mijn vraag: Waar houdt u uw geld?'

Ik begin rustig uit te leggen: 'Ik heb een mooie portefeuille. Tegelijkertijd heb ik eigenlijk op meerdere plekken wat geld liggen...'

'Maar meneer,' onderbreekt hij mij, 'heeft u geen geld bij een bank?' Het komt er haast geschokt uit.

'Jawel,' antwoord ik, 'maar jij liet me niet uitpraten. Als je dat had gedaan, had je mijn antwoord ook gehoord.' Ik grijns en voel bijna woede door de telefoon heen komen.

'Waarvandaan bel je eigenlijk?' ga ik verder, de jongen van zijn werk houdend.

'Utrecht.' Het komt er wat aarzelend uit, alsof hij in de gaten heeft dat hij bij mij aan het verkeerde adres is. Maar ophangen bij een klant is geheel uit den boze.

'Studeer je?' vraag ik, en nadat hij zegt dat hij dat doet vraag ik hem wat.

'Een studie management en recht.' Ik vraag hem in welk jaar hij zit en, nadat hij het derde jaar noemt, vraag ik hem duidelijk of hij het opbellen van mensen niet ziet als een schending van de privacy van de mensen. Zoals in het wetboek staat.

'Meneer,' zegt hij, 'mijn mening doet er niet toe.' Ik schiet in de lach. Wat een onzin. De verkoper staat nieteens achter zijn manier. 'Dus jij vind dat dit eigenlijk niet kan. Da's toch enigszins apart, nietwaar?'

'Meneer,' antwoord hij, 'dat heb ik helemaal niet aangegeven.'

'Nee,' zeg ik, 'maar jouw ondertoon wel. Daar mag je nog wel eens aan werken.'

'Maar...' begint hij, maar ik onderbreek nu hem.

'Jongen, de reclame is nu afgelopen, dus ik ga ophangen. Nog een fijne avond, ik hoop dat er niet zoveel vervelende mensen aan de lijn hangen en veel plezier met je studie. Doei!'

Een ongelovige 'goedenavond' volgt, waarna ik de telefoon uit druk.

woensdag 28 juli 2010

De Ontmoeting

Gisteren was een hele bijzondere dag. Het was namelijk de dag dat ik een heel bijzonder iemand ontmoet heb. Iemand die net als ik bijdehand is, grappig en melig, maar met wie je ook een heel serieus gesprek kan hebben, een kopje koffie kan delen en zelfs, als het niet anders kan, anderen verschrikkelijk irriteert. Ik in het kwadraat, zogezegd.

Laat ik hem eerst maar eens voorstellen, dat jullie ook weten over wie ik het heb.

Vissie is bijzonder. Hij heeft niet - in tegenstelling tot al zijn familie - water nodig om te overleven, hij kan, net als jij en ik, gewoon buiten het water leven. Vissie heeft mij een bijzondere dag gegeven, een dag welke ik niet snel vergeten zal. En dat begon allemaal gisterochtend toen ik net wakker werd…

Het was een uurtje of zeven en ik hoorde een stem in mijn hoofd roepen: ‘Ga er op uit! Pak de trein en zie maar waar je heen gaat!’ Zo gezegd, zo gedaan. Ik stapte om acht uur in de trein richting Zwolle. En daar stapte hij in. Misschien… ja, ik zal even iets meer over Vissie vertellen. Dat jullie weten waar hij vandaan komt.

Vissie weet niet waar hij vandaan komt. Zo. Weten jullie dat ook. Ik dus ook niet. Pech gehad, jammer dus voor je.

Wat ik wel weet is dat Vissie al in Italië geweest is. En in Rome een relletje veroorzaakt heeft door op het graf van de onbekende soldaat te dansen… Tja… Ik zei toch dat-ie grappig was?

Ik werd door Vissie uitgenodigd om in de eerste klas plaats te nemen. En dat liet ik me geen twee keer zeggen. Samen met een nichtje van mij, Cynthia, volgden we Vissie gedwee. Want Vissie is Vissie. Hij wint elk argument. Zelfs het spel gele auto wint hij met gemak. En zelfs conducteurs laat hij in de waan dat hij er niet is. Want bij alle conducteurs zat hij gewoon op een stoel, maar hoefde niet te betalen. Slim hè?

Vissie vertelde ons enkele van zijn dromen. Hoe hij zo graag in Nederland op de foto gezet wilde worden met enkele bekende dingen. Dit zijn de dingen die hij ons liet opschrijven. En wij schreven, want hij is Vissie.

  1. De Dam
  2. De Amsterdamse grachten
  3. Het Binnenhof
  4. De waterplas in Den Haag
  5. Het Mauritshuis
  6. Een koe
  7. Met een KLM-vliegtuig (waarom weet ik ook niet)
  8. Het standbeeld van Willem de eerste
  9. Het standbeeld voor hertog Karel
  10. Een winkel met een i… (waarom???)

Vissie was iemand met dromen. Dromen die wij waarheid konden laten worden. Want jezelf op de foto zetten is wat moeilijk…

Eenmaal in Utrecht stapten we uit. Misschien was daar wel een winkel met een i. Wie weet. Tegelijkertijd vertelde hij ons dat we de eerste helft van de ochtend zoveel mogelijk mensen moesten irriteren. Dus deden we dat. Simpel toch? Lekker bijdehand begonnen we de ja-nee gesprekken.

(voor wie niet weet hoe dit moet? Lees maar: Ja? Nee… Nee? Ja!! Ja? Ja! Ja-haa! Nee? Nee-nee! En dat dan een tien minuten volhouden. En probeer maar niet in een deuk te schieten)

In Utrecht vonden we één van de wensen van Vissie. Foto nemen en klaar. Een wens was in vervulling gegaan. We stapten de trein weer in en merkten dat we in een stiltecoupe zaten. En niet zo maar een stiltecoupe in de eerste klas, nee, een stiltecoupe in de eerste klas waar Italianen aan het kletsen waren. En dat kan niet. Absoluut niet. Dus Vissie haalde de conducteur erbij en die stuurde op zijn beurt de mensen de eerste klas stiltecoupe uit. En zo kwam er extra ruimte voor ons vrij. Wij gingen daar zitten.

Maar omdat we in een stiltecoupe zaten, mochten ook wij niet kletsen. Dus riep Vissie tegen ons: ‘Maak een lijstje van dingen die je in een stilte coupe kan doen!’ En wij deden zo…

Enkele hoogtepunten van de lijst:

  • Kerktorens tellen
  • Het spel Gele auto
  • ‘Ssssst’ roepen tegen iedereen die praat
  • Naar elkaar sms’en
  • Stil lachen

En, als hoogtepunt (wat ook echt gebeurde)

  • Proberen anderen zo te irriteren dat ze bijna de coupe uitgaan!

In Gouda verlieten we de trein. We wilden niet naar Rotterdam. Want Rotterdam is zo… Rotterdam! Dus gingen we naar Den Haag. En de mensen waren blij dat we de trein uitgingen. Behalve de mensen die naar Den Haag wilden. Die zagen ons ook liever gaan…

Uiteindelijk waren we in Den Haag. Het was rond twaalven en Vissie had honger, dus zochten we een terrasje ergens om lekker even te eten. En dat was lekker! Een heerlijke Italiaanse bol met pittige kipfilet en chili-saus. Jammie! Alhoewel Vissie smakte en at met open mond (foei) hadden we het alle drie snel op en het ging er ook goed in.

We liepen door over het Binnenhof waar een politieauto ons goed in de gaten hield. Waarom weet ik niet, maar Vissie stapte er op af en tikte op de ruit. De agent schudde met zijn hoofd. Wie zegt dat Nederlanders aardig zijn, moet dus niet bij hem zijn.

Wel zag Vissie enkele goede vrienden van ‘m, de leeuwen van Oranje. Hij moest en zou met hen op de foto. En dat deden we dus braaf. Klik, klik… Foto’s gemaakt en toen gingen we door. Fonteintje hier, vlaggetjes daar. Mauritshuis, Binnenhof…Willem en Karel… allemaal foto’s waar Vissie bij wilde horen.

Nu ik er over nadenk is het best logisch. Vissie wil gewoon bekend worden. En daar help ik nu bij. En nu ik erover denk… wie heeft die wens niet? Na een uurtje vertrokken we uit Den Haag met de eerste trein die vertrok. En die ging naar Amsterdam. Duszz…

Maar in de trein was Vissie nogal brutaal. Hij zette alle lampen in de eerste klas aan. Eén voor één gingen de lampen aan. Wij, Cynthia en ik, lagen allebei dubbel van het lachen, want Vissie deed me toch raar… En trouwens, de man en de vrouw die beiden in de eerste klas bij ons zaten waren me toch woedend! Ze keken ons aan en als blikken konden doden… Gelukkig hadden we Vissie die ons beschermde…

In Amsterdam was het druk. Erg druk. Heel erg druk. Maar Cynthia zei dat het wel meeviel. Ik vond het druk. Te druk naar mijn zin. Maar gelukkig hadden we Vissie. Die nam ons mee en bracht ons snel naar de Dam. Iedereen ging opzij voor ons. Leve Vissie!

Naast de Dam wilde Vissie ook op de foto in de Amsterdamse Grachten. Maar toen hij die eenmaal zag, durfde hij niet meer. Het water was zo smerig… Dus bleef hij gewoon staan. Aan de rand. Op het hek. Want in het water… Bah… We moesten er niet aan denken. Brrr…

In Amsterdam hebben we nog een terrasje gepakt… Of eigenlijk pakte Vissie de eigenaar aan die direct een nieuw tafeltje en stoelen neerzette, speciaal voor ons. Maar misschien dat het daarom ook zo duur was… Verschrikkelijk. En ik vond twee ijsjes in Parijs voor 10 euro al duur. Of zeven drankjes in Rome voor 42 euro. Maar nu… Zelfs Vissie kon er niets aan doen.

We zijn bijna weggerend uit Amsterdam, maar eerst nog snel even iets kopen voor onderweg. En we gingen een opdracht van Vissie uitvoeren. Want Vissie wilde nog op de foto op Schiphol. En daar zijn we heen gereisd…

De trein was leeg. Althans, zo leek het. De conducteur kwam langs. Vissie zag ‘m en wilde met hem op de foto, maar de conducteur was erg verlegen. Hij wilde niet. Absoluut niet. Jammer. Ook niet enkele snoepjes. Gelukkig zei hij niets van het feit dat we in een stiltecoupe zaten en dat wij meer lawaai maakten dan wie dan ook in de trein. Toffe peer!

Aangekomen op Schiphol liepen we een rondje. En nog één. De eerste bewaker lette al op ons. Op het platform snel Vissie geholpen, want de bewakers bleven komen. Klik.

Daar zagen we ook een koe. Verrassing Vissie!

Nog een rondje gelopen en de bewakers kwamen nu al met z’n tweeën langs ons lopen. Vissie spotte ze het eerst. We verstopten ons achter een pilaar en lachten maar door. Rond een uur of zes zijn we gaan kijken naar een restaurantje op Schiphol. Eettentje binnen, kijken op het menu, en er weer uit. Niet lekker, geen zin in friet…

Drie bewakers kwamen er aan gelopen en Vissie vertelde ons de handen voor de ogen te doen. Zagen wij hen niet, konden ze ons ook niet zien, klonk zijn logische reden. Dus wij deden de handen voor de ogen en zagen hen niet.

De bewakers, ik weet niet of ze ons zagen, leken door te lopen. Wij snel naar de andere kant van de vertrekhal gelopen, maar daar liepen ook al bewakers. Bij de incheckbalies waren ze ook al. Wij toch maar snel weer naar de treinen.

Utrecht Centraal, stond op één van de treinen die snel zou vertrekken. Snel! De bewaking spotte ons alweer. Dus we renden de trein in die al vertrok. Snel in een eersteklas hokje gekropen en zwaaien naar de bewakers. Zelfs Vissie zwaaide. Lachen!

In Utrecht zat een Chinees Wokrestaurantje. Gegeten, en nog even bij Starbucks een kopje koffie gehaald. Lekker. Mmm. Een Caffé Mocha en een Latte Macchiato Caramel… mmm…

Starbucks is en blijft één van de lekkerste koffiewinkels in Nederland. Ook al is het een Amerikaanse keten, toch is het geweldig lekker. Ik kan niet wachten tot ze ook in Assen of Groningen komen. Tel mij maar bij voorbaat als vaste klant. Het is gewoon enorm lekker!!!

Vervolgens de trein weer in. Vissie werd moe. Het was ook al acht uur. Dus de eerste trein genomen in de richting van het noorden. Amersfoort… IJsjestijd! Vissie wilde geen ijsje. Flauw hè?

Na Amersfoort weer de trein in naar Zwolle. Daar wilde Vissie weer naar huis. Cynthia ook. Maar eerst de meest racistische opmerking van de dag. We zaten in een (trouwens erg volle) eersteklas stiltecoupe waar vier Chinezen (of Japanners, Koreanen of Vietnamezen) langs ons liepen en een man achter ons zei: (ECHT WAAR, DIT VERZIN IK DUS NIET)

‘Sambal bij?’

En ik maar denken dat wij al erg melig waren… Er zitten me toch asociale mensen in de eerste klas. Echt het ‘plebs’ van Nederland. Losers!

In Zwolle lekker gewacht op een bus voor Vissie en Cynthia, en toen zelf ook weer de trein ingestapt voor het laatste stukje naar Assen.

Dit was de meeste hilarische, melige en drukke dag van deze vakantie tot dusver. Maar tegelijkertijd ook de meest serieuze gesprekken gevoerd, want Vissie was wel een filosoofje in de dop. En natuurlijk weet hij alles te rationaliseren. Alles is vier.

Kom maar met een willekeurig woord en ik zal je bewijzen dat het vier is. Vissie leerde me dat. Alle antwoorden zijn toch vier. Waarom moeilijk doen…?

Nog twee speciale boodschapjes:

- Vissie, jij bent geweldig!

- Als je aan Vissie komt, kom je aan mij!

Foto's op hyves. Enkelen op : http://dailybooth.com/MartijnB0s

Reageer voor meer foto's

woensdag 21 juli 2010

Shakespeare voor Beginners

William Shakespeare is een ongekend genie. De wereld heeft nog nooit zo'n fantastische schrijver gekend. De besten der aarde kunnen zich slechts ten dele meten aan deze grootheid. Toch zijn de verhalen van hem vrij onbekend.

Tenminste... Je kent wel enkele dingen, maar het hele verhaal, het plot, de wendingen... allemaal dingen die vrij uniek zijn en ook allemaal in het licht gezien moeten worden van zijn tijd.

Leken (waaronder ik mezelf ook schaar) die zijn verhalen kennen in een zwart-wit contrast. En het wordt tijd om daar eens iets aan te veranderen.

Tientallen - of misschien wel honderden of duizenden - gingen mij voor. Toch wil ik eens mijn versie geven van het oeroude verhaal. Mijn draai aan deze geschiedenis. Dus, zonder verder ophouden:

William Shakespeare

'Romeo en Julia'

Er waren eens twee machtige families die allebei streden om de macht binnen Verona, een plaats in Italië. Beide families haatten de andere. De familie Montague en de familie Capulet waren dus aartsvijanden van elkaar.

De koning van Verona verbood hen met elkaar om te gaan, zeker ook gezien het aantal vechtpartijen en onopgeloste zaken rondom beide families. Geen vriendelijke lui dus.

Tijdens een feestje van de familie Capulet, waar bijna al de beroemdheden van het land waren, exclusief leden van de Montague-clan, gebeurde er iets. Graaf Paris (ook al zo'n opgeblazen mannetje maar gelukkig niet lid van de rivaliserende families) laat zijn oog vallen op een mooi meisje wat hij ziet op het feest. Zij, een oogverblindend mooi meisje, lacht, giechelt en rent dan weg. Hij is helemaal bezeten van haar. Hij vraagt aan een bediende naar haar naam. Julia. De naam vindt hij even mooi als het meisje zelf.

Hij loopt dan ook naar graaf Capulet, haar vader, en praat met hem. Hij vindt haar nog te jong om te trouwen. Dertien jaar is ze immers nog maar. Paris weet hem om te praten. Graaf Capulet besluit die dag erna om een nieuw feest te geven om de verloving aan te kondigen. Hij stuurt een knecht op weg om de uitnodigen weg te brengen.

De knecht, een domme jongen die nog maar net in dienst van de graaf is, zit echter wel met een probleem. Hij kan niet lezen naar wie hij de uitnodigingen moet brengen. Gelukkig is er iemand op straat die hem wel helpen wil.

De knecht is helemaal blij. Samen brengen ze de uitnodigingen weg en op het eind zegt de knecht dan ook: 'Jij mag vanavond ook best komen, hoor, zolang je maar geen Montague bent.' De jongen lacht en zegt dat hij er die avond wel zal zijn.

De jongen, Romeo Montague, heeft wel zin in een feestje. En ook al is hij een Montague, gratis eten en drinken bij een ander, ook als is het bij de Capulets, laat hij niet staan. Die avond gaat hij dus ook naar het feest.

Op het feest ontmoet hij Paris en wenst hem veel plezier met zijn aanstaande. Paris glimlacht en wijst zijn verloofde aan in de zaal. Romeo is overdonderd en valt als een blok voor haar. Zo mooi is ze. De Belgen zouden zeggen dat ze een 'schone jongedame' is. Italianen zouden stilvallen. Berlusconi zal haar de nieuwe president maken. Sarkozy zal Carla Bruni ervoor verlaten. Zo mooi dus.

Julia, niet blij met het 'blijde' nieuws van haar trouwen (Paris mag dan wel rijk zijn, maar niet echt de jongste) ziet ineens Romeo bij Paris staan. Ook Julia valt als een blok voor hem. Pure 'liefde op het eerste gezicht'. Misschien dat het spreekwoord hier ook wel vandaan komt.

Dan verschijnt er een andere man op het toneel. Hij gaat tussen Romeo en Julia in staan en loopt af op Romeo. Tybalt, een neef van Julia en dus een Capulet, herkent Romeo als een Montague. Hij neemt hem mee naar de tuin en zegt dat hij weliswaar geen ruzie wil, maar dat hij beter kan vertrekken.

Met dat nieuws is Romeo niet bepaald blij, maar hij vertrekt. Hij zal door de tuin naar zijn huis gaan. Rustig loopt hij langs het huis van zijn vijanden, en ziet opeens Julia op een balkon staan. Zij ziet hem ook. Ze verklaren elkaar de liefde, ook al weten ze dat zoiets nooit in de ogen van één van hun ouders goedgekeurd zal worden. Hier komt de bekende balkonscene vandaan. Ook al is het idee van een serenade hier belachelijk, toch zou het zomaar kunnen dat dit hier heeft plaatsgevonden. Maar gezien het feest dat binnen aan de gang was...

De volgende ochtend gebeurt er veel. Romeo gaat naar zijn priester (Lorenzo) en regelt een trouwerij diezelfde dag.

Tegelijkertijd komt de min - de kinderjuf - van Julia Romeo zoeken. Zij zegt hem dat zij gaat - en moet - trouwen met Paris en niet met hem. Maar ook zij raakt gecharmeerd van hem. Als hij dus ook vraagt of zij een boodschap wil overbrengen doet ze dit. Zij geeft door aan Julia dat ze die middag kunnen trouwen in de kerk.

Die middag sluipt Julia uit het huis en gaat naar de kerk. Daar trouwen Romeo en Julia in het geheim. Julia moet daarna ook snel weer terug naar huis.

Romeo is helemaal blij en gaat naar de kroeg met zijn vrienden om het te vieren. Daar komen ze Tybalt weer tegen en Romeo verteld het hele verhaal aan hem. Tybalt wordt verschrikkelijk boos en begint te vechten met Romeo.

Romeo slaat terug. En nogmaals. En nog een keer. Tybalt rent weg maar de vrienden van Romeo grijpen hem. Romeo is nu woedend. Hij slaat hem neer. Opeens bemerkt hij wat hij doet en vlucht naar zijn priester.

Priester Lorenzo heeft slecht nieuws. De koning heeft het nieuws gehoord en hem verbannen uit Verona. Ook verteld hij dat de huwelijksvoltrekking tussen Paris en Julia over drie dagen is. Romeo druipt af naar een nabijgelegen dorp.

Ondertussen gaat Paris naar priester Lorenzo om te vragen of hij het huwelijk wil voltrekken. Lorenzo stemt - diep bedroefd - toe. Hij weet echter dat Julia al getrouwd is. Hij vraagt Julia bij hem te komen en geeft haar een drankje en verteld erbij dat als ze dat zal drinken ze op haar trouwdag, over drie dagen, schijndood zal zijn. Dat hij, de priester, haar en Romeo wil verenigen. Julia vertrouwt hem en drinkt het flesje leeg.

Drie dagen later is de stad in rouw. De trouwerij van graaf Paris met de dochter van graaf Capulet gaat niet door. De bruid is gestorven.

Lorenzo wil Romeo een boodschap sturen, maar dat bericht komt niet bij hem aan. Een andere boodschapper komt wel langs Romeo met het nieuws dat Julia dood is. Romeo is overdonderd en vertrekt gehaast naar Verona. Voor vertrek neemt hij wat gif mee van zijn moeder. Zij sterft, zodra ze dit verneemt, van verdriet.

Julia, die nu in een grafkelder is neergelegd, ligt in een coma (schijndood) waar Paris zit. Hij rouwt om zijn aanstaande bruid, hetgeen nu dus niet meer zal gebeuren. Opeens komt Romeo binnen.

Paris heeft het niet meer. Hij tiert, vloekt en valt Romeo uiteindelijk aan. Romeo dood hem na een kort gevecht. Paris vraagt hem, voordat hij sterft, om naast Julia gelegd te worden, en Romeo voldoet daaraan.

Dan staat hij naast zijn vrouw. Julia ziet er nog zo mooi uit. Maar ze is gestorven. Hij weet het zeker. Hij kust haar en neemt zijn vergif in. Ook hij sterft.

Dan komt priester Lorenzo de grafkelder in. Hij overziet het geheel, schudt zijn hoofd en maakt Julia wakker. Hij zegt tegen haar zo snel mogelijk hier weg te gaan en vertrekt zelf ook.

Julia staat voorzichtig op en ziet dan de schade. Aan de ene kant ligt Paris, aan de andere kant ligt Romeo. Ze begint te huilen. Wat er gebeurd is weet ze niet, maar de blik van haar gestorven man te zien breekt haar hart. Ze pakt een dolk en steekt die in haar hart. Dood.

De koning hoort dit nieuws en gaat zelf polshoogte nemen. Hij komt in het graf, ziet wat er gebeurd is en laat Capulet en Montague halen.

Beide mannen schrikken. Hun zoon en dochter zijn allebei dood. Priester Lorenzo legt alles uit.

De koning zegt dat het zo niet langer kan. Hij verbiedt ze nog langer ruzie te maken. Beide graven zijn zo geschrokken dat ze instemmen met de wens van de koning en sluiten vrede.

En ze leefden nog lang en gelukkig...

(althans, Romeo en Julia (en de arme Paris) niet meer, zij zijn morsdood)

woensdag 14 juli 2010

Kinderen en God

Nu het zomervakantie is merk ik pas hoe leuk het eigenlijk is op school. Elke dag samen werken, leren en tot nieuwe inzichten komen. Men zegt niet voor niets dat je elke dag weer nieuwe dingen leert in het onderwijs. En dat is ook zo.


Afgelopen jaar heb ik genoten van een heleboel verschillende groepen. Ik heb - als leerkracht - de complete bovenbouw les mogen geven. Van groep vier tot en met groep acht, en elke dag was weer een compleet genot. Ook een dagje kleuters is mij welgevallen. Geweldig.


Personen die mij kennen zullen weten dat ik graag vertel. Geschiedenisverhalen, eigen verhalen maar daarnaast ook erg graag Bijbelverhalen. En die monden bij mij vaak uit in een levendige discussie over God en ons mensen.


Nu heb ik eigenlijk elke dag een tas bij me met verschillende spullen er in. Eén van die dingen is een notitieboekje, waar ik de mooiste uitspraken bewaar. Uitspraken die mij een glimlach van oor tot oor gaven. En ik wil jullie deze nu ook eens geven. Jullie laten meegenieten.


Ook is het erg leuk om kinderen een klein briefje te laten schrijven aan God. Een vraag, een opmerking… Vooral groep 3 tot 6 is hier een ster in…


Ik heb de namen weggelaten. Je kunt zelf wel raden van wie de uitspraak zou kunnen zijn… Nou ja, op drie scholen… ach… maakt niet uit. Veel plezier!


“Misschien zouden Kaïn en Abel elkaar niet gedood hebben als ze allebei een eigen kamer hadden. Dat werkt ook erg goed bij mij en mijn broer!”


“Waar komt God eigenlijk vandaan? Ik kom uit Nederland…”


“God, U hoeft u geen zorgen te maken over mij, ik kijk altijd naar links en rechts.”


“Lieve God, als u zondag in de kerk bent wil ik U mijn nieuwe kleren laten zien!”


“Waarom is de lucht eigenlijk blauw?”

‘Hoezo?’

“God maakte de regenboog. Waarom heeft de lucht niet meer kleuren? Ik vind oranje erg mooi!”


“Beste God, kunt u ons echt allemaal vanuit de hemel zien? Lijken we niet op mieren? Vanuit het vliegtuig zag ik alleen maar stipjes…”


“Lieve God, ik wil u best 900 jaar liefhebben zoals die man uit de Bijbel.”


“Heeft God ook de lijntjes om de landen getekend?”


Natuurlijk zijn er nog meer, maar ik kan natuurlijk niet alles al weggeven.


Een fijne vakantie!

woensdag 7 juli 2010

Lol met reclame’s

'Dames en heren, jongens en meisjes, wat fijn dat jullie kijken naar deze nieuwe TellSell reclame. Het is feest want we hebben een nieuwe, unieke, eenmalige aanbieding waar u geen genoeg van kan krijgen.'

Presentator Mike kijkt strak naar de camera, alsof hij iedereen thuis ziet. Vrij beangstigend, maar ook enigszins geruststellend. Zijn stem met zijn onmiskenbare Amerikaanse accent is een verschrikking om naar te luisteren.

'Maar eerst stel ik u voor aan onze fantastische gast. Het is iemand die u allemaal kent, een filmster, acteur en sinds kort zelfs een schrijver:

Dames en heren: Mr. T!'

Een oorverdovend applaus klinkt van de tribunes terwijl Mr. T het podium op komt lopen.

'Dankjewel Mike, het is goed om hier weer te zijn. Hallo allemaal!' Hij zwaait naar het publiek en de mensen thuis.

'Mr. T,' begint Mike, 'Moet je eens zien!' Hij pakt iets van de tafel voor hem.

'Hee Mike, wat heb je daar nou?', zegt Mr. T.

'Ik heb iets heel bijzonders. Iets waar de wereld al lang op zit te wachten.'

'Ongelooflijk, vertel ons snel wat het is...'

'Ik heb een wit vierkant materiaal en een stokje. U zult zich wel afvragen, wat is dit nu weer.'

'Ja Mike, laat ons niet in spanning...'

'Als ik met dit stokje over het witte materiaal beweeg, dan verkleurt het op de plek waar ik met het stokje over heen ben gegaan.'

'Ongelooflijk...' Het publiek laat met enkele 'ooohs' en 'aaahs' hun nieuwsgierigheid merken.

'Ja,' gaat Mike verder, 'maar dat is nog niet alles. Als ik met het stokje, wat overigens een Pen heet, een letter, zoals je die normaal op het scherm ziet, op het materiaal teken...'

'Ongelooflijk, ik begin het te snappen... dus als je meerdere letters neerzet kan je gewoon lezen *zonder* dat je een beeldscherm nodig hebt.'

'Inderdaad, jij snapt het. Als dat geen wonderlijke uitvinding is; het materiaal heet trouwens Papier.'

'Ongelooflijk, en je hebt helemaal geen stroom nodig, Mike?'

'Nee, geweldig he, er zitten zelfs geen batterijen of accu in.'

'Nou, nou, nou zeg. Onvoorstelbaar.'

'Ha, Mike, je klapt het dicht. Dat kan mijn notebook ook.'

'Nee, dit is anders, je kan het zovaak vouwen als je wilt tot het de door jouw gewenste afmeting heeft.'

'Oooh, Mike je gaat maar door en het wordt kleiner en kleiner.'

'Ja, nu past het zelfs in mijn portefeuille.'

'Ongelooflijk, dus ik kan het altijd bij me dragen.'

'Kom eens Mike, mag ik het eens vasthouden.'

'Maar natuurlijk, ga je gang.'

'Maar dit is ongelooflijk, het weegt bijna niets.'

'Dat klopt, het weegt 100 maal lichter dan het kleinst verkrijgbare notebook. Dat komt natuurlijk omdat er geen accu in zit.'

'Nee, nee, je droomt niet, knijp maar flink in je arm. Kijk, ik vouw het weer uit en....'

'Maar Mike, wat doe je nu??'

'Nee, dat kan niet, je scheurt het papier doormidden.'

'Dit materiaal is zo geweldig. Kijk, ik houd de helften gewoon tegen elkaar aan en je kan het gewoon weer lezen.'

'Ongelooflijk, dat moet je met een diskette niet proberen, ha ha ha.'

'Maar wat doe je nu? Nee, niet doen, niet doen!! Je gaat er zomaar op staan springen.'

'Ongelooflijk, en je kan het nog steeds lezen!!'

'Stel je voor zeg, als je zo op je monitor zou gaan springen.'

'Ongelooflijk, wat een uitvinding! Zeg Mike, hoe lang kan je papier eigenlijk bewaren?'

'Nou, veel langer dan een diskette of hard-disk waarvan de magnetische gevoeligheid op den duur verdwijnt.'

'Ongelooflijk, wat een wonderlijke uitvinding.'

'Maar dat is nog niet alles!'

'Nee???'

'Je kan het overal mee naar toe nemen, je kan het gebruiken bij hoge en lage temperaturen. En als je het niet meer nodig hebt, kan je altijd nog je neus erin snuiten en...'

'Ja Mike, ongelooflijk...' Mr. T denkt even na.

'Zeg Mike, maar dat zou betekenen dat we op een dag helemaal geen beeldschermen, computers en notebooks meer nodig hebben!?!'