zaterdag 19 februari 2011

De sollicitatie van je leven (2)


Dit is het tweede deel en tevens het laatste deel van een verhaal over de sollicitatie van je leven. Lees het eerste deel ook om te weten wat hier vooraf aan gegaan is.

---

Twee weken na de sollicitatie zouden we allemaal bericht krijgen over wat het vervolg zou zijn. Nachtenlang heb ik niet kunnen slapen vanwege de – voor mijn gevoel – gemiste kans. Honderden alternatieven zijn in mijn hoofd komen opdagen, maar waren allemaal te laat. Achteraf kun je zoveel meer zeggen of schrijven dan dat het nu het geval was. Maar het helpt allemaal niets.
Op de bewuste dag stond ik voor zessen al naast mijn bed. Ik kon niet meer slapen, gedachten spookten door mijn hoofd. Wat als ik het niet zou worden? Doemscenario’s bleven langskomen.

‘Dit is de kans van je leven,’ stond bovenaan de vacature. ‘Een niet te missen kans.’
Maar wat als je die kans wel mist? Wat als je de sollicitatie compleet fout hebt gedaan? Door het korte antwoord op de laatste vraag heb ik grondig mijn kansen de grond ingeboord.
Geen enkele gedachte spookte in mijn hoofd over het binnenhalen van de baan. Want waarom zou ik ook? De vraag was toch niet goed beantwoord.

Na het ontbijt zit ik lusteloos te wachten op de bank. Een boek ligt voor mij te wachten om gelezen te worden, maar kan mijn aandacht niet vasthouden. Evenzo ook de radio, die ik op een gegeven moment maar weer uit gedaan heb. Wachten is het ergste…

Plotseling gaat de telefoon. Mijn telefoon herkent het nummer niet, dus dit kan wel eens het telefoontje zijn. Mijn hart begint harder te kloppen en beverig pak ik de telefoon. Aarzelend pak ik op, de brok in mijn keel verslikkend.
‘Met Martijn,’ neem ik de telefoon op en hoor dan dat dit inderdaad het verwachte telefoontje is. Luisterend naar de stem schieten mijn ogen open van verbazing. Nadat ik stotterend antwoord geef wordt de verbinding verbroken.

Ongeloof straalt uit mijn ogen terwijl ik de telefoon neerleg. Ik ben door. Ik kan het niet geloven. Ik ben door! Ik mag verder naar de volgende sollicitatieronde. Alsof het hemeldek open gaat en het zonnetje zich laat zien. Met gebalde vuist spring ik op.

Enkele dagen later ga ik weer naar hetzelfde gebouwencomplex. De hele dag zal ik testen moeten doen. Psychologische, fysieke en ook intelligentietesten zullen voorbij komen. En – alsof dat nog niet genoeg is – als klap op de vuurpijl krijg ik aan het einde van de dag nog een gesprek. Ik laat het maar over me heenkomen, niet wetend wat ik verwachten kan.

Test na test onderga ik, op weg naar de positie van mijn leven. Een baan voor het leven, een niet te missen kans. Geduldig wacht ik op mijn beurt in de rij.

---

Wacht eens even. De kans van je leven, de niet te missen kans. Weten jullie allemaal wel wat dat is? Denk je echt dat je een compleet sollicitatieproces moet ondergaan om die functie te krijgen? Dacht je dat Hij dat allemaal wil?

Als jij JA zegt tegen Hem, neemt Hij je al aan! Hij zegt dan ook JA tegen jou. Zelfs al voordat jij geboren was, kende God je naam al. Hij wil juist dat je bij Hem komt. Daar komt geen sollicitatie aan te pas. Je bent welkom. Welkom bij de baan, bij de functie, van je leven.

Allerlei mensen begroeten je.
Ik ben er één van. Ook al heb ik soms twijfels, stel ik kritische vragen, toch weet ik dat Hij er voor mij is. Ik ben niet een heilig boontje, ook ik doe dingen verkeerd. Wetend dat God genade geeft, geeft me houvast.

Werk jij mee? Hoor jij ook bij het instituut van God?
Ja? Dan heet ik je welkom. Ik ben Martijn. Wie ben jij?

zaterdag 12 februari 2011

De sollicitatie van je leven (1)


Daar zit je dan. In je beste kleren zit je te wachten totdat jij aan de beurt bent. In de wachtkamer hangt een gespannen sfeer, iedereen lijkt in gedachten verzonken. Nerveus glimlach je als iemand jouw kant opkijkt terwijl je probeert er zo ontspannen mogelijk uit te zien.

Dan gaat de deur open. Een grote, statige man komt uit de deur en houd een klembord vast. Hij kijkt met een priemende blik rond en lijkt van iedereen het binnenste te bekijken. Hij kijkt nogmaals op zijn klembord en dan roept hij de namen van de volgende sollicitanten. Ook mijn naam wordt geroepen.
Terwijl ik opsta probeer ik nog even de kreukels uit mijn broek glad te strijken en voel of mijn stropdas nog recht hangt. Meer mensen kijken gespannen uit naar wat er nu komt. Niemand weet het precies. Vijfentwintig mensen worden geroepen. Oud en jong, mannen en vrouwen. Wie zal de gelukkige worden?

Binnen staan 25 tafels en stoelen klaar. Op elke tafel ligt een pen en een vel papier. Iedereen wordt naar zijn of haar plek gewezen en gaat zitten, niet wetend wat er van ons verwacht wordt. Terwijl ik ga zitten zie ik voor aan in de zaal een tafel staan. Daarachter zit slechts één persoon met een klok.
Als ik rond kijk zie ik wel nog meer andere personen staan. Het doet me denken aan mijn eindexamen, waarbij ook meerdere surveillanten rondliepen en keken of we niet bij anderen afkeken. Sterker nog, de opstelling van de tafels was ook precies hetzelfde.

‘Jullie hebben allemaal vijfenveertig minuten om de vragenlijst in te vullen.’ Drie personen lopen langs de tafels en leggen overal een vragenlijst in. Terwijl ik de bladzijde bekijk hoor ik de man zeggen dat iedereen mag beginnen. Hij zet de klok op drie kwartier en opeens hoor ik klikkende geluiden van allerlei pennen. Ik doe hetzelfde.

De voorkant van de vragenlijst is nog makkelijk. Wie ben je, waar woon je, wat is je hoogst genoten opleiding en nog meer van dat soort vragen. Ik vul de vragen in en daarna sla ik het blad om. Nog geen zeven minuten zijn voorbij.

Ik begin vertrouwen te krijgen als ik om mij heen kijk. Ik ben één van de weinigen die al op het tweede blad zijn.
De achterkant bevat slechts één vraag. Hij prijkt bovenaan de bladzijde en daaronder is genoeg ruimte om te schrijven. ‘Wat kan jij ons bieden?’, staat er, met daaronder de opmerking ‘en waarom zouden we jou nodig hebben?’

Honderd en één redenen schieten door mijn hoofd. Mijn eerste is een wedervraag - wat hebben jullie nodig - en op basis van die vraag antwoord ik. Ik noem kwaliteiten en eigenschappen van mijzelf waarmee ik probeer te bewijzen dat ze me ook echt nodig hebben.

Daarna streep ik alles weer door. Ik weet dat je origineel moet zijn bij sollicitaties, je moet opvallen door je antwoorden. Als iedereen hetzelfde antwoordt val je sowieso buiten de boot. Uniek… mijn gedachten dwalen af om maar anders te zijn dan alle anderen.

Opeens klinkt de stem weer. ‘Nog drie minuten!’ klinkt het bars door de zaal. Ik schrik op. Is er al zoveel tijd voorbij gegaan? Om mij heen kijkend zie ik dat meerdere anderen de pen alweer neergelegd hebben. Ze zijn klaar. Het zweet breekt uit en ik begin moeilijk te slikken.
Die vraag is moeilijk.

De drie minuten schieten om. Een zoemer gaat, de overige kandidaten staan op. De één na de ander loopt de zaal uit, maar ik blijf zitten. Ik kijk nog eens goed naar mijn blad, er staat nog steeds niets.
Snel schrijf ik iets op. Het maakt niet uit was, zolang er maar wat staat. Snel leg ook ik mijn pen neer en zie twee surveillanten bij mijn tafel wachten, hoofdschuddend kijken ze naar mij. Vragend kijk ik ze aan, hopend dat ze mijn blad nog meenemen.
Zuchtend pakt één persoon mijn blad aan. Opgelucht haal ook ik adem en loop ook de zaal uit.


Wordt vervolgt.

zaterdag 22 januari 2011

Zullen we samen wachten?


Blind staar ik in de verte, mijn gedachten geheel afwezig. Niets kan mij op het moment op zijn plaats houden, in gedachten ben ik al lang gevlogen. Stilstaan is moeilijk, rusteloos volg ik mijn voeten op de weg die zij alleen schijnen te weten. Met gesloten ogen en oren laat ik mij leiden op de weg.

Als ik eenmaal opkijk merk ik dat ik in een rij sta, de mensen dicht opeen om niet teveel kou te lijden. Voor en achter me staan duizenden, zo niet miljoenen mensen. De zon begint te schijnen, wolken herpakken zich.
Gezichten van mensen die ik niet ken staren naar de verte. Mijn ogen volgen hun blik en ook ik kijk naar iets waarvan ik niet weet wat het is.

Hoe noem je iets als je de naam niet weet? Hoe kan je iets beschrijven als je zelf geen beschrijving kan geven? Woorden schieten te kort, gedachten staan stil, de adem stokt in mijn keel. Doodstil kijk ik naar het onbeschrijfbare. Als ik mijn blik afwend van het schouwspel kijk ik opzij naar de anderen die, net als ik even daarvoor, ademloos kijken.

Mijn gedachten gaan uit naar hen die vooraan staan. Geboeid kijk ik ook naar hen. Ik zou ze willen helpen, waarschuwen op z’n minst. Ze staan maar, zonder te weten wat er gebeurd. Of zouden ze het wel weten? Sta ik wel veilig, weet ik wel wat er zich afspeelt? Kan ik het wel bevatten? Of eigenlijk: Durf ik het wel te bevatten?

Beter kijkend naar de mensen om mij heen beginnen me dingen op te vallen. Sommigen dragen armbandjes met daarop vier letters. Anderen dragen kettinkjes met een kruis, een ster of een combinatie van beide. Enkele mannen dragen een plat hoofddeksel, één die je wel eens in een synagoge tegenkomt. Sommigen dragen boeken, groot of klein. Sommigen dragen zwarte kleren, andere juist wit. Iedereen is anders.

Dan openen de wolken.

Iedereen doet iets anders. De één valt op zijn knieën en begint te bidden. De ander steekt zijn handen op en breekt uit in gezang. Een derde vouwt de handen, weer een ander valt stil. Sommigen rennen er naar toe, terwijl anderen juist een kruisje slaan. Gejuich, gedans en gezang is overal om me heen. En stilte. Oorverdovende stilte.
Iedereen die ik zie lijkt geheel verschillend. Niemand is hetzelfde. Blanken en gekleurden, mannen en vrouwen, oude en jonge mensen… Allemaal met diezelfde glinstering in hun ogen.

Dan beginnen mijn hersenen weer te werken. Mijn verstand begint terug te komen. Wij zijn hier allemaal om maar één ding. Een gebeurtenis die niet alleen voor mij belangrijk is, maar ook voor de anderen een enorme impact heeft.  Nu zie ik het duidelijk. We wachten allemaal op de Ene!

Waarom zijn we allemaal anders? Waarom zitten we allemaal op andere plaatsen terwijl we allemaal wachten op hetzelfde? Zou het niet mooier zijn als we met z’n allen samen kunnen wachten? Jij en ik, ook al zijn we zo verschillend. We wachten toch beide op de Terugkomst van Hem, die onze Redder is?

Laten we de kerkmuren, die ons bij elkaar vandaan houden, weghalen. Laten we samen uitkijken naar Hem, die ons bindt.

Ik zet mijn verschillen met jou opzij. Ik reik jou mijn hand. Pak jij deze aan? Zullen we, hoe anders wij ook zijn, samen wachten op Hem die komen gaat?

donderdag 23 december 2010

Geef jij het Licht ook door?


Het is de dag voor kerst en dat kun je overal zien. Gezellige drukte in de winkelstraten, kerstliedjes op de radio en flikkerende lichtjes overal. Dat staat niet alleen erg leuk, het is ook nog eens erg gezellig. Overal waar je kijkt zie je lachende gezichten - alhoewel het weer niet helemaal meewerkt - en merk je dat de mensen elkaar helpen.

De weersverwachtingen zijn nog altijd sneeuw, vrieskou en ijzel dus kunnen we ons ook gaan opmaken op een witte kerst. Iets wat toch best apart is, ware het niet dat dit afgelopen kerst ook al het geval was.

Kerst is ook het aangewezen tijdstip om met mensen gezellig om de tafel te gaan zitten, uitgebreid te dineren en elkaar leuke verhalen te vertellen. Dingen die je het afgelopen jaar hebt meegemaakt, dingen die je dwarszitten… Een uitgelezen kans om het jaar mooi af te sluiten.
Vandaar ook dat kerstprogramma’s - ze schieten nu als paddenstoelen uit de grond - het goed doen. Mensen willen graag in deze tijd van het jaar dichter bij elkaar komen. En soms hebben ze daar even hulp bij nodig.

Deze kerst wil ik jullie ook iets vertellen. Iets wat ik een week geleden op school heb gedaan. Iets moois, wat nog mooiere acties tot het gevolg kan hebben. Iets wat een kettingreactie op gang kan brengen.
En dat wil ik ook met jullie delen. Misschien dat deze actie ook bij jullie tegenreacties oproept. Dat ook hier het balletje gaat rollen.

Lees maar.

Tijdens het kerstdiner op school haalde ik vier verschillende kaarsjes uit mijn tas. Ik stak de ene aan en zette het op mijn tafel terwijl ik uit Johannes 1 begon te lezen:

In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.
Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. 10 Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. 11 Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen. 12 Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. 13 Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.
14 Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. 15 Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep: ‘Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik, want hij was er vóór mij!”’ 16 Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt. 17 De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. 18 Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.

De leerlingen keken me aan en ik begon te vertellen: ‘God is als dit lichtje hier,’ ik wees op het brandende kaarsje,’ Hij is als het Licht van de wereld, een stralende Morgenster. Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf ook God is, leert ons over Hem.’ (vers 18)
‘Jezus laat ons dus iets van het Licht van God zien. Jezus is dus ook,’ ik pakte een kaarsje en stak deze aan, ‘datzelfde licht. Twee dezelfde lichtjes, van dezelfde God. Het vuur wordt er niet anders van. Jij en ik kennen Jezus en Zijn Vader. We hebben uit de Bijbel gelezen en we hebben het de afgelopen weken steeds over Hem gehad, over Zijn geboorte.’
‘God zelf heeft anderen dit licht gegeven om het op te schrijven.’ Een derde kaars ging aan. ‘Dus dit lichtje is ook precies hetzelfde als Gods lichtje. Het licht van God en van Jezus is dus ook in de schrijvers van de Bijbel gevaren. Maar dat niet alleen, nee,’ ik stak ook de laatste kaars aan, ’wij ook! Wij ook hebben datzelfde licht gekregen. Wij lezen ook uit diezelfde Bijbel.’
‘We snappen misschien niet altijd alles, maar God zelf, en Jezus met Hem, wil ons verlichten met zijn Woord. Wij mogen dus ook een lichtje voor God zijn. Sterker nog: Dit lichtje,’ Ik wees op de vierde kaars,’ deze kaars zijn wij! Jij en ik!’
‘Zie je dat? Is het licht van deze vierde kaars anders dan het licht van de eerste kaars? Nee hè? Het is precies hetzelfde! Wij hebben datzelfde licht, hetzelfde geloof!’
Uit mijn tas haalde ik toen 24 waxinelichtjes. Eén voor iedere leerling. Allemaal mochten ze dat ene licht ook zijn. Allemaal stak ik de kaarsjes aan, één voor één. Iedereen kreeg een op de tafel te liggen.
‘Wij, allemaal, hebben het Licht van God en Jezus in en bij ons. Wij zijn bijzonder. Maar weten jullie ook wat lichtjes doen?’ Uit de klas kwam het goede antwoord. ‘Ze geven licht!’
‘Ja,’ zei ik, ‘ze geven inderdaad licht! En weet je: wij mogen ook lichtjes zijn. En dus ook licht geven voor anderen, net zoals Jezus heeft gedaan. Het licht doorgeven.’
Eén leerling kwam al met een goed idee. ‘Als we dit lichtje nu thuis aansteken, geven we het licht ook door! Aan onze ouders!’ Ik knikte goedkeurend. ‘En aan mijn opa en oma!’ zei een ander. Daarna was het hek van de dam. Ieder familielid kwam langs en ook aan hen werd het licht doorgegeven.

Aan het einde van de dag gaf ik iedereen nog eens twee waxinelichtjes. ‘Om het licht extra goed door te geven,’ zei ik.

 

Bij dezen geef ik jou ook twee digitale waxinelichtjes. Ook jij mag het licht doorgeven. En dus ook waar het licht voor staat. Gods Woord, de Bijbel.




Fijne kerstdagen!

woensdag 1 december 2010

Verveel je je?

Jij verveelt je dus? Nu niet meer. Streep deze lijst maar af!

°Wachten tot je een ons weegt en dan dikke mensen uitlachen
°Lieveheersbeestjes boosaardig maken.
°Een trui van spagetti breien.
°Jeu de boules spelen op een mijnenveld.
°Naar bouwvakkers fluiten.
°Alle nullen in het telefoonboek onderstrepen.
°Je goudvis verdrinken.
°Osama Bin Laden zoeken.
°Op miereneter jacht gaan.
°Paardenbloemen blowen.
°Poedersuiker snuiven.
°Een kunstwerk maken van de inhoud van je navel.
°Met je tenen wiebelen.
°Een nieuwe kleur mengen.
°Surfen op de plaatselijke vijver
°Je haar knippen met een kartelschaar.
°Ondersteboven leren lezen.
°Glimlachten tot je kaak verkrampt.
°Het Zimbabwaanse volklied leren zingen.
°Om je zelf heen rennen.
°Deze hele lijst lezen.
°Het uitmaken met iemand die je niet kent.
°Uit de maat dansen.
°Je okselhaar laten groeien en er dreadlocks inlaten zetten.
°Het wilhemus gorgelen.
°De elfstedentocht rijden op je slee.
°Zoveel mogelijk oliebollen tegelijk in je mond stoppen.
°Je kat leren blaffen.
°Snorkelen in je eigen bad.
°Zoveel spekjes eten tot je roze ziet.
°Japanners fotograveren
°Een winterslaap houden
°Je zelf een achterhoeks dialect aan leren
°Slim worden
°Je schor schreeuwen
°Beroemd worden.
°Je papagaai de toespraak van Martin Luther King leren.
°Je gebroken hart met ducktape plakken.
°Cake vlaggetjes in je oren stoppen.
°Een ei uitbroeden.
°Je kat achtervolgen
°Zonnebaden onder je bureaulamp

(dit als tussenweg: ik heb geen tijd om een blog te schrijven deze week)

woensdag 17 november 2010

De Regenboog (2) Geel

In mijn afgelopen blog ben ik begonnen een kleur te gebruiken. Onder de noemer ‘de regenboog’ kan dat ook. Allerlei passages uit mijn leven zullen de revue passeren.

Vandaag deel 2: ‘Geel’.

---

Als invaller ben ik veel op de weg. ’s Ochtends vroeg zit ik rond zevenen al in de auto om ’s middags tegen vieren weer terug te rijden. Daar heb ik echter geen enkel probleem mee, mocht je dat afvragen.
Ook vind ik het helemaal niet erg om een klas binnen te gaan, mezelf voor te stellen en de hele dag precies te doen wat er op een lijstje staat - wat de echte juf of meester geschreven heeft.
Natuurlijk is het tijdstip van vertrek een puntje van zorg, maar daar doe ik niets aan en kan ik niet veranderen. Datzelfde geldt ook voor het weer. Ruiten krabben, verwarmingen… allemaal zaken die nu eenmaal zo zijn. Dat neem ik voor lief.

Maar, er zijn zaken die wel veranderd kunnen worden. Zaken die ik niet zomaar voor lief hoef te nemen, waar ik me wel aan kan ergeren. En ik ben niet de enige, dat weet ik zeker.

Op het moment van schrijven ligt bijna heel Assen open. Er wordt gewerkt aan de weg. En iedereen die ik daarover spreek, van buiten Assen, die heeft geen flauw idee dat het zo is. En als ze hier moeten zijn, is het al te laat. Pech. 
Om mijn woonplaats in te komen heb je al een goede kennis nodig van de wegen, zeker omdat Tomtom ook nog eens je de verkeerde kant wijstwijst. Domme Tom…

Maar niet alleen in Assen is het allemaal zo mooi, ook er buiten is veel werk aan de winkel. ‘Volg borden voor …’ is het standaardadvies van de Rijkswaterstaat. De site ‘Van A naar Beter’, die RWS heeft opgezet enkele jaren geleden, loopt ook al lichtelijk achter. Of eigenlijk moet ik het anders zeggen. Ze zijn lichtelijk achterlijk. Alles ten zuiden van Zwolle staat enigszins aangegeven, terwijl alles erboven maar giswerk is. Misschien?

Als ik me ergens aan erger zijn het ongeplande werkzaamheden. Jeweetwel, van die werkzaamheden die spontaan op komen zetten. Dat wil ik dan ook wel doen. Gewoon ’s ochtends vroeg, als je wakker wordt, ergens een bord neerzetten zonder ook maar enig alternatief te bieden.
Zo staat er nu, dicht bij mijn huis, een stoplicht midden op straat. Een kleine vijftig meter verderop staat er nog één, die min of meer aan elkaar gelinkt zijn. Ik zeg min of meer, want ze hebben de neiging om tegelijkertijd op groen te staan. Of ze laten het gewoonweg aan één zijde afweten.
Sta je daar, wacht je netjes op groen en als het dan eenmaal zo ver is komen er auto’s tegemoet. Niet slim dus.

Daarom heb ik de kleur geel bij dezen gekoppeld aan wegwerkzaamheden. Geen zon, want die schijnt helaas te weinig dezer dagen. Ook geen trein, want ik rij toch met m’n auto. Ook geen kuikentjes meer, want die som heb ik nu al op drie verschillende scholen mogen uitleggen, en dat verveelt enigszins…


Waar denk jij aan bij de kleur geel?

woensdag 3 november 2010

De wereld als een regenboog (1)

De komende weken wil ik mijn blogs eens een kleur geven. Onder de noemer ‘de regenboog’ kan dat ook. Allerlei passages uit mijn leven zullen de revue passeren.
Vandaag deel 1: ‘Groen’.

---

Ze zeggen dat de lente vol zit met kleuren, maar laten we eerlijk zijn: de herfst kan er ook wat van. Overal waar je kijkt zie je wel weer andere kleuren, tenminste, als je buiten bent. En dan niet alleen in de binnenstad waar de felle kleuren van de neonborden jouw kant op flitsen. Of waar de jassen van alle mensen om je heen vragen om aandacht. Nee, dat niet.

Ik bedoel meer in de natuur. De bladeren van de bomen liggen ofwel op de grond ofwel hangen ze nog aan de bomen, maar de kleuren variëren toch op veel meer vlakken. Is het ene blaadje knalrood, blijkt een ander blad nog gewoon groen te zijn. De dennennaalden springen er ook nog eens tussenuit, evenals de gevallen eikendopjes, tamme kastanjes, beukennootjes en dennenappels.

Op het moment van schrijven zit ik met mijn laptop in het bos. Dat kan want het is droog en ik zit, onder een enorme eik, redelijk beschut tegen de woekerende wind. Af en toe zie ik iemand langslopen. Vaak met een hond, soms alleen maar ook soms met z’n tweeën. En allemaal doen ze exact hetzelfde. Ze kijken me aan en in hun ogen lees je hun blik: Wat doe jij hier met je laptop?

Alle herfstige kleuren doen me denken aan enkele lessen die ik de vorige jaren omstreeks dit moment gegeven heb. Tekenlessen, natuurlessen en zelfs enkele crealessen zijn over de herfst gegaan. En waarom ook niet? De herfst bevat alle kleuren die je nodig hebt om ergens een succes van te maken.

Ze zeggen dat de herfst mensen meer depressief maakt. De dagen worden korter, het wordt steeds kouder en de neerslag lijkt ook niet te stoppen. Mist, regen, hagel en uiteindelijk zelfs sneeuw… het werkt niet mee om echt vrolijk te blijven. Die mensen snap ik, maar begrijp ik niet. (tja, da’s een logica die daar achter zit)

Het mooie is dat je de schoolvakken die ik, zoals eerder gezegd, gaf vaak kon inleiden met mooie filosofische stukken. Niet alleen de vraag ‘waarom heet groen groen?’ is interessant, maar ook de gedachten van de leerlingen zijn bijzonder.
Probeer zelf die vraag maar eens te beantwoorden. En kom niet met antwoorden als: ‘als groen blauw heette, hoe heet blauw dan?’ of ‘omdat alles anders in de war raakt’.

Regelmatig filosofeer ik wat met mijn leerlingen. Ze weten dus welke antwoorden ik wil, en welke niet. De één startte simpel met het verklaren van groen alsof hij wilde uitleggen hoe een puntenslijper werkt. Chronologisch en gestructureerd. Een ander begon bij het begin, bij Adam. Maar de mooiste verklaring kwam van een zevenjarige leerling. Met glinsterende ogen vertelde ze dat zij, toen ze vier was, met haar opa het bos in ging en dat haar opa haar steeds zei wat voor boom het was. En zij mocht vertellen welke kleur de blaadjes hadden. En steeds maar weer waren de blaadjes groen. En steeds zei haar opa: ‘Ja! Mooi groen zijn ze, hè?’

Nu snap je de verklaring van haar misschien niet helemaal, of helemaal niet. Misschien moet ik er bij zeggen dat enkele weken later haar opa stierf. Dat ze daar een hele tijd mee heeft gezeten. Dat het haar flink geraakt heeft, zoals alle sterfgevallen doen bij mensen.

Toentertijd, ik was op stage bij haar in de groep, heb ik in een kleine kring haar eens gevraagd wat het laatste was wat ze van hem herinnerde. En de dag erna gaf ik een tekenles met deze filosofische vraag aan het begin.
Ze vertelde haar verhaal en die glinstering in haar ogen werd al gauw een traan. Die traan werd al gauw een bui. Toen ze uitgepraat was, nam de juf haar even apart. Toen ze terug kwam lachte ze en ging ze ook aan het werk.

Ik sprak de juf aan het einde van de dag en vroeg haar naar dit moment. Ze zei niets meer dan dat groen vanaf dit moment haar lievelingskleur was.
Sindsdien kleurde ze heel veel met groen. Haar tekening was ook één van de mooisten. Allerlei groentinten wisselden elkaar af.

Net als tijdens de herfst in het bos. Groen op groen. Mooi dat het is! Voor iedereen die nog niet naar het bos is geweest in de herfst: GA.

Groen als bladeren.